Shushu

Geit 2

“De boer hield van zijn land. Het grootste deel ervan werd ingenomen door zijn bedrijf en zijn veestapel maar bij zijn huis koesterde hij een eigen plekje. Elke vrije minuut die hij had, was hij er bezig. Hij plantte, snoeide, knipte, harkte en gaf water met grote liefde en aandacht. Zijn tuin was zijn paradijs en bovendien bleef ze altijd bij hem. Dat kon niet gezegd worden over de vrouwen die hij ontmoette. Zo nu en dan ging hij naar de stad. Om een borrel te drinken, een vriend op te zoeken of om gewoon even weg te zijn van zijn dagelijkse beslommeringen. En soms trok hij de belangstelling van het andere geslacht. De boer was niet getrouwd. Niet omdat hij dat niet wilde; hij had meerdere malen geprobeerd het met een vrouw aan te leggen. Maar de stadse madammen konden niet tegen het leven op het land. Ze wilden vertier, aandacht en uitgaan.

De boer werkte lange dagen en zijn tuin was zijn alles. Daar ontspande hij, daar schudde hij de dag van zich af. Zijn allergrootste trots waren zijn orchideeën. In de schaduw van een mahok groeiden en bloeiden zij. De boer verzorgde hen, voedde hen, aaide hen, sprak met hen. Zijn lompe werkhanden veranderden in tere zachtaardige verlengstukken van zijn hart als hij met zijn orchideeën bezig was. De vrouwen die hij geprobeerd had, werden jaloers op zijn bloemen en dwongen hem uiteindelijk om te kiezen. En de boer koos. Zo eenvoudig en simpel was dat. De tuin bleef, de vrouwen gingen en sloegen in hun aftocht woest het tuinhekje uit zijn scharnieren. Hij had het al vaak moeten repareren.

Geit 1Op het punt waar wij in dit verhaal zijn aangeland, was het hek open. Flor, de laatste vriendin van de boer was woedend vertrokken en had net als al haar voorgangsters met het hek gesmeten. Het klapte met een knal dicht maar door het geweld dat het was aangedaan, sprong het weer open. Zo kon het gebeuren dat de taaie indiaanse en haar dochter de oase van de boer binnen liepen.
Bruisend bloeiende bougainvilles, sappig gras, jonge palmboompjes, geurige mimosa, vurige liefde vol honingbloemen, cayena’s op het punt van ontspruiten. De taaie indiaanse liep ze allemaal voorbij. Haar neus had de geur van een grotere delicatesse opgepikt. Zonder aarzelen liep ze rechtstreeks naar de mahok en vrat aan orchideeënkopjes. Daarna begon ze aan de jonge blaadjes en de veelbelovende knoppen. In een mum van tijd had ze de trots van de boer uitgeroeid…”

Uit Shushu en Sir Raylison Germaikel Blòbleu

Ik moest eraan denken toen ik de geiten bezig zag in mijn bario. Het is tijd om dit verhaal eens af te maken : )

Leave a Reply