Veer-Kracht

‘Bon dia, bon siman i konta ku bo?’ Mijn anders zo hartelijk ontvangen groet ketste zonder het gewenste effect tegen het glas van de tankstationkassa naar mij terug. De jongedame die er achter zat, keek me met doffe ogen aan. Heel even maakten haar mondhoeken een begin met de gulle lach die ik van haar gewend ben en die de kuiltjes in haar wangen op en neer laat springen. Ze kwam niet verder dan een lauwe start. Haar brede lach bleef uit en de twinkel in haar ogen was in geen velden of wegen te bekennen. Zo kende ik haar niet. Op alle mogelijke en onmogelijke tijden van de dag wanneer ik haar op het werk tref, is zij altijd vrolijk of op z’n minst goedgemutst. Een glimlach op haar lippen toveren kost geen enkele moeite. Een ‘bon dia’ is genoeg. Maar vandaag niet. Vandaag was er iets heel erg mis. “Wat is er?”, vroeg ik geschrokken.

“Ach, senora. Ik wil weg van Curacao. Het gaat steeds slechter. Er is hier geen toekomst Ik kan niet meer.” Wat ze zei en wat ze uitstraalde was hetzelfde. Het is een van de redenen waarom ik haar zo graag mag. De boodschap vond ik alleen niet te verteren.

Ik ken haar al jaren. Dat wil zeggen ik ontmoet haar al jaren met enige regelmaat bij het tankstation waar ik vaste klant ben. En door de jaren heen hebben we korte gesprekken waarbij we elkaar toch steeds een beetje beter leren kennen. Het is alsof we een doorlopend gesprek met elkaar voeren dat zo nu en dan wordt onderbroken en weer wordt opgepakt. Zo weet ik dat ze een zoon heeft, dat ze een alleenstaande moeder is, dat ze heel hard werkt en uit een kleine familie komt. Uitgaan en stappen doet ze niet. Ze besteedt haar tijd liever aan haar zoon. Ze houdt van de mondi en de zee. Vroeger als kind speelde ze in de heuvels van Rooi Santu. Een zacht lief mens is ze. Ze klaagt niet, ze zeurt niet, ze leeft haar leven en maakt overal het beste van met tomeloos optimisme. We praten over de prijzen van kip, welke botika de beste haarspullen heeft en waar je een goede rugzak voor school kan kopen. Ik weet ook dat ze de zorg draagt voor haar ouders die al op leeftijd zijn en dat ze heel erg trots is op haar zoon. Zika hebben ze allebei onlangs ook gehad en de tip om met je rug tegen de muur op en neer te schuren tegen de jeuk heb ik van haar.

De krant nemen we soms ook door, maar alleen als er niet teveel klanten achter me staan. En wanneer ik de voorpagina van de Extra, die elke morgen vastgeklipt zit aan het raam, snel scan, roept ze met een bloedserieus gezicht dat ik een kwartje voor het lezen moet betalen. Ik steek dan mijn tong naar haar uit en dan is ie er meteen: die stralende lach. Maar vandaag niet.

“Mijn zoon zit nu in groep acht en heeft al weken geen leerkracht. Dat kan toch niet. Hij moet oefenen voor de EFO-toets en trainen met rekenen en taal. Hij zit thuis omdat het onderverdelen van de leerlingen bij de andere leerkrachten van de school een te zware belasting is.” Ze zegt het zonder hoop op een verbetering op korte termijn. Met reden want daar heeft ze op school al naar gevraagd. “Er zijn geen invallers, zeggen ze. Mijn zoon is nerveus aan het worden en zegt dat ie dan maar naar een andere school moet. Maar dat gaat niet zo gemakkelijk en als dat al lukt: wat gaat dat dan betekenen voor zijn EFO-toets als hij nu eerst weer ergens anders moet gaan wennen?” Het nivo van de jongen gaat tussen Vsbo en Havo op en neer. Dat had ze me al eens eerder verteld. En mij gevraagd naar de school van mijn VWO-kinderen. Ik weet nog dat ik tegen haar zei hoe belangrijk het is dat een kind na de basisschool op een plek terrecht komt die bij het kind past. Onder het nivo is niet leuk maar daarboven ook niet. Van beiden ken ik voorbeelden te over. Maar ik had er geen over de effecten van het niet hebben van een leerkracht in groep 8.

“Weet u, mevrouw. Voor alles is uiteindelijk een oplossing. Als je er maar aan werkt. Maar ik ben maar een heel gewoon mens en dit kan ik niet oplossen. Ik werk hard, zorg voor mijn zoon zo goed als ik kan. Maar wat voor toekomst heeft hij wanneer hij niet eens naar school kan? Hoe gaat hij verder…? Nee, dan kan ik hier beter weggaan. Voor hem en zijn kansen. Op deze manier is het wonen en leven hier op Curacao niet meer te doen. Ik kan niet meer. We komen niet vooruit. Hoe erg ik dat ook vind.”

Ik moest slikken en zag haar in gedachten als klein meisje rondrennen door de heuvels van Rooi Santu. Vol vertrouwen, geaard met de plek waar ze is, goedlachs met wapperende haren in de wind, de zon dragend als een tweede huid. Ik dacht ook aan de vrouw die ze een week geleden nog was en waar ik dat kleine meisje altijd weer in herken. En ik bedacht me hoe het zou zijn wanneer haar lach niet meer door de heuvels van Rooi Santu zou klinken. Ondenkbaar en onverteerbaar.

“Weet je,’ zei ik. “Zolang er mensen op Curacao zijn zoals jij moet het goedkomen. Dat kan gewoon niet anders.” Ik oogste daarmee een lach en een traan. Bij ons allebei.

Leave a Reply