Introductie ‘Je voelt die klik’

Drie Curacaose vrienden…

webgroep

#mdpcuracao

Verhalenwedstrijd

Verhalenwedstrijd 4997563-r

Interview met Ambassadeur Han Peters

Ambassadeur Peters4997577-r

Interview met Kooyman

Kooyman4922155-r

De biechtvader van kompa Nanzi

roy evers (2)In hem weerklinkt

het geweten van een land

dat spreekt van

oorzaak en gevolg

van chaos en wanorde

rechte lijnen

trekt hij

dwars over

een scheef pad

 

In hem huist ook

het duivelse vat

van ongefundeerde

argumenten

die in de dans

van damage control

op zeer creatieve wijze

de gedachten aan

oorzaak en gevolg

doen sneuvelen

voordat het een

tot het ander kan beklijven

 

Uit hem komen

de woorden die

wijzen naar de

logica en de rede

om die vervolgens

geheel expres

op de hak te

laten nemen

 

De biechtvader

wijst op de rechte weg

maar mag zich ook

graag begeven

in de kronkelstegen

van het geweten

waar recht wordt

wat krom was

en andersom

totdat iedereen

vergeten is

waar de wandeling begon

 

Zoals in de roddel

van de chuchubi

toch altijd ook

een waarheid huist

Zo vinden alle

Kompa Nanzi’s

bij deze biechtvader

een zeer gewillig thuis

 

Voor Roy Evers 2014©Elodie Heloise

 

 

 

Mijn land

San Pedro 2014

Toko ku Fe

christoffel 2010 kln

Erna heeft geen haast. Zaterdagochtend. Kom op zeg. Wie er ook nu al voor haar winkel zit, kan wel even wachten. En wachten zullen ze. Dat weet ze zo zeker als het gefluit van de chuchubi in de morgen.

Het zijn de dagen naar de aanloop van de behandeling van de moordzaak Wiels, er is net gisteren een nieuwe aanhouding gedaan en zij is de enige in de omgeving die van kranten wordt voorzien. Het nieuws van Bandariba wordt op Bandabou angstvallig bijgehouden. Of het nu om regenten gaat, moord, doodslag, een nieuwe miss voor ‘god-mag-weten-wat’ of een nieuwe ontwikkeling in het onderwijs. Wat aan de ene kant van de brug wordt beslist, sijpelt uiteindelijk ook door tot het vrije land daarachter. Behalve voor de vissers. Die maken hun eigen dienst wel uit.

Erna loopt vanaf haar huis de winkel in. De achteringang waar ook het brood wordt bezorgd. Een glimp op het verzwaarde hekwerk achter de glaspui bevestigt wat ze daarnet al dacht. Er staan tien klanten te wachten op het moment dat zij de deur van haar toko opendoet. “Bondia yufrou Erna” klinkt het in koor. Het steekt haar vanmorgen. Die zo geheten beleefde verwijzing naar haar ongetrouwd zijn. Ze is nog altijd ‘Yufrou…’ hier achter haar tralietoonbank. Een soort slotzuster is ze, zoals de nonnen in het klooster op Skerpene, maar dan eentje die wel zo nu en dan naar buiten mag.

De mensen die de toko binnen stappen kent ze allemaal. Stuk voor stuk. En hun geschiedenis ook. “Hoe gaat het met yufrou Erna’s moeder?” Nog zo’n opmerking die haar vandaag niet lekker valt. ‘Toko ku fe’ zo noemde haar moeder de nieuw op te richten zaak. Hoe lang geleden? Het voelt als honderd jaar. Honderd jaar waarin er niets veranderd is. En in het ziek-zijn van haar moeder ligt de angstaanjagende belofte besloten dat er de komende honderd jaar ook niets zal veranderen. Belofte? Nee, die weg is al ingeslagen. Het ‘bon dia shon Mimi’ is zonder dat ze er echt acht op geslagen had veranderd in ‘bon dia yufrou Erna’. De volgende honderd jaar zijn al begonnen.

Het hoofd van een ex-minister staart haar aan. ‘Aangehouden in verband met de moord op politicus Helmin Wiels’. Een schreeuwkop. ‘Hier, Yubi. En moet je de kranten van gisteren en eergisteren ook nog hebben? Ik heb je een paar dagen niet gezien.” Ze is begonnen. Handelt af zonder te vragen wie er het langst wacht. Ze weet dat Yubi er om half zeven al was. Er is dan ook niemand die protesteert. Yubi gromt iets en neemt zijn kranten aan. Ook die van gisteren en eergisteren. “Groet je vader voor me” Ze roept het tegen Yubi’s gebogen rug. Een hand gaat de lucht in. Yubi de zwijgzame zal Erna’s groeten overbrengen aan zijn vader die op de kranten wacht. En ook hij zal niets zeggen. Zo is die familie nu eenmaal. “Carlo, wat is het vandaag?” Ze doet een gok. Meestal is Carlo eerder dan Shurendella. “Nee, het is mijn beurt. Heeft yufou Erna een pakje sigaretten voor mij en twee potjes.” Erna schuifelt naar achteren. Gisteren heeft de baby iets met worteltjes gehad. Dat kind moet wel een beetje gevarieerd eten. Haar hand reikt naar een potje met rundvlees. Nee, toch maar de spinazie en een fruithap. Het is de tijd van muggen en daarmee van griep en verkoudheid. Onderweg terug naar de toonbank grijpt ze ook een pakje Richmond. “Je zou moeten stoppen met roken. Dat is niet goed voor je kinderen.” Shurendella lacht een beetje betrapt verlegen. “Mi sa. Mi sa. Pero yufrou Erna mes sa. Het is moeilijk.” Erna laat een tjuri horen. Het smakkende geluid van afkeuring krijgt geen bijval in de toko. Niemand durft. Een dergelijke steunbetuiging kan zomaar ineens in een aanval veranderen. Wanneer Erna haar oog op je laat vallen. Shurendella legt twee tientjes op de toonbank en maakt dat ze wegkomt. “Ik kom straks wel voor het wisselgeld… die kleine heeft honger.”

pan sera (2)Achter Carlo die nu geholpen wordt met kranten en beltegoed staat Paquito. Paquito is groot en heeft groot ontzag voor yufrou Erna. Haar bui is niet zo goed vanochtend en hij heeft brood nodig. Niets in de winkel verraadt dat het brood vanochtend ook bezorgd is. Er valt zelfs geen vleugje van een geur van versgebakken brood te bespeuren. De redding komt van Djaka. “Ey Erna konta? Tin pan fresku kaba?” Erna bevriest heel even. De wachtenden in de toko hebben als vanzelf ruimte gemaakt om de gespierde man die onder de tatoeages zit door te laten lopen tot aan de tralietoonbank. Ze kijkt hem aan over de rand van haar leesbril. “Yufrou Erna voor jou! Denk erom. En zou je niet eens netjes op je beurt wachten? Paquito… Hoeveel broodjes heb je nodig? Daar kwam je toch voor?” Paquito steekt drie vingers op en loopt even later met een papieren zakje dat hij haast niet in zijn handen houden kan naar buiten. Heet. Het brood is nog heet.

Carlo staat inmiddels midden in de toko zijn krant te lezen. Djaka, die eigenlijk Ernesto heet, moet zijn geduld oefenen aangezien hij vakkundig door Erna wordt genegeerd. Hij verdraagt het met een lach. Hij weet wie hier in dit stukje Westpunt de baas is. Carlo moet betalen en heeft alleen honderd gulden bij zich. “Ai dios. Niks kleiners Carlo. Shoot hombu. Ga maar. Betaal die krant maar een andere keer.” En Erna wappert hem weg. Dan is de beurt aan rasta ‘Peace’. Milieuafbreekbare wasverzachter zoekt hij. Dat is een uitdaging. Erna loopt weer naar achteren. Ergens heeft ze iets dergelijks liggen. Ze vindt een groene fles en loopt ermee naar Peace. “Dit of niks.” De rasta draait de fles om en leest het etiket. “Wie volgt?” Djaka steekt zijn vinger op. “Ben je er nog?” De opmerking levert een grijns op. Ze ziet dat hij er drie gouden tanden bij heeft. Hoofdschuddend draait Erna zich om. Het was zo’n leuke jongen. Vroeger. Deed het niet goed op school maar hij kon geweldig tekenen. Een tijdlang was hij weg van Bandabou. Naar Nederland zeiden ze. Anderen fluisterden van drugs en gangs. Djaka’s moeder had er nooit iets over los willen laten en ineens was hij terug. De rest liet zich raden. Erna verdeelt twintig pan sera over twee bruine zakken. Dat is wat Djaka gisteren heeft besteld. Met twee armen vol loopt ze terug.

Dan… consternatie. Djaka grijpt naar zijn achterbroekzak. Iedereen die nog in de toko is springt opzij of vliegt naar buiten. Peace heeft de fles wasverzachter uit zijn handen laten glippen. Erna ziet het gebeuren terwijl ze naar de toonbank loopt. Ze laat de zakken uit haar armen vallen. Twintig pan sera broodjes rollen over de vloer. De portemonnee die Djaka uit zijn broekzak heeft gehaald, is dik. Heel dik en zwaar. Zoals de stilte die nu gevallen is in Toko ku Fe van groot gewicht is. Djaka vertrekt geen spier. Rustig klinkt zijn stem. “Five second rule, yufrou Erna. Five second rule.” Hij wijst op de broodjes op de grond. Erna is weer ‘bij’ en verzamelt wat er op de grond ligt. Djaka neemt de zakken aan. Het geld heeft hij al op de toonbank gelegd. Twee briefjes en wat losgeld. “Felis dia” en weg is hij.

Erna staat het lege voorportaal van haar toko te dweilen. De wasverzachter die Peace uit zijn handen heeft laten vallen, geurt na in de winkel. Ze mopt de plakkerige zeep van haar vloer. Wanneer ze de mop uit de emmer halt en wil uitknijpen valt haar blik valt op het geld dat Djaka op de toonbank heeft achtergelaten. Er steekt een kaartje onderuit. Ze pakt het op en zet haar leesbril goed. ‘Ernesto Fontiles, tattoo artist and piercing expert’ staat erop.

Voor de niet-Papiamentstaligen: Toko ku Fe betekent vrij vertaald Toko met vertrouwen

 

 

 

Ana Maria Concalves de Sousa

rechtvoor otrobanda (2)Het bezoek aan Kranshi is over in een vloek en een zucht. Ana Maria Concalves de Sousa loopt vijftien minuten nadat ze een nummertje trok met haar verzoek voor een nieuw paspoort naar buiten. Vijftien minuten, ze kan het niet geloven. Nummer 922 kwam uit een onbegrijpelijk apparaat. Een vierkante doos met een spugende gleuf. ‘Er zijn twee mensen voor u’ las ze op het papiertje dat haar in de hand werd gedrukt door een strengvriendelijke baliemedewerker. Voorbereid was ze het bevolkingsregister komen bezoeken.  Klaar om minimaal een uur in de wachtkamer door te brengen. Boek mee, een stiekeme club social in een plastic zakje -om kruimels in haar tas te voorkomen en een pakje appelsap. Klein en compact. Met zo’n rietje in plastic erop geplakt. Ze ging zitten tussen de andere bezoekers. Het zou haar tijd wel duren. Ze was niet anders gewend.

Rode cijfers lichtten op in een zwarte balk. Ze correspondeerden met de nummers op het kaartje in iemands hand. Dat had ze zich door haar buurvrouw laten vertellen. “Dona Ana Maria, dan moet je wel blijven opletten. Want als je nummer voorbij is…” Van wie zou het zijn? Dat felle nummer op het bord. Ze keek om zich heen. De kudde binnen leek op een troep ‘Ja-knikkers’. Iedereen keek op, slechts eentje had geluk, de rest liet het hoofd weer zakken. Wat is er eigenlijk gebeurd met het omroepen van je nummer of naam? Even dacht ze dat ze haar vraag hardop had uitgesproken. Dat was toen ze de bewaker hoorde.

De bewaker in de zaal wees niet alleen op het flikkerende billboard maar riep ook het winnende lot naar de wachtende mensen. Un bon yu di Korsou, constateerde ze tevreden. Eentje die werkt met wat er is en die dat combineert met wat er was. Het zou haar niet verbazen wanneer het omroepen niet meer in zijn functieomschrijving stond en toch nog steeds het meest belangrijke onderdeel van zijn baan was. Dienstverlening naar behoefte. Of die nu voortkwam vanuit de onwil om los te laten wat eens was of vanuit de ervaring van de praktijk die allang had bewezen dat er bij nieuwe procedures een overgangsperiode ingelast dient te worden. Wat ook nog kan, bedacht ze, is de weerzin reserve schoenen weg te gooien ookal heb je al nieuwe. Stel dat Kodela, of nee Aqualectra want zo heet het nutsbedrijf tegenwoordig, een oprisping heeft en het nieuwe systeem lamlegt, dan moet Kranshi toch gewoon door kunnen draaien… met jawel het oude system ofwel: de omroeper.

Nummer 922 verscheen op het bord en de bewaker liet weten op gepaste wijze weten wiens beurt het was. Ze stond op, wist wat ze moest doen. En dan staat ze buiten  In vijftien minuten. Met het pakje appelsap in haar hand. Het komt uit de voorraad die haar schoondochter regelmatig bij haar neerzet. De kleinkinderen nemen die pakjes mee naar school. Het leek haar handig om er eentje mee te nemen op de expeditie van vandaag. Maar wat een gepiel om dat rietje door het met folie afgeschermde prikgat te krijgen, dat is wanneer je het al voor elkaar kreeg het rietje uit zijn plastic hoesje te krijgen. “Wela, wela, kijk. Deze kant heeft een scherpe punt”. In zoverre is ze voorgelicht. Gedecideerd drukt ze het rietje met de juiste kant door het gat. De eerste slok gutst over haar hand. “Niet in het pakje knijpen als je drukt, wela. Je moet er niet in knijpen”. Die tweede aanwijzing krijgt nu voor het eerst een echte betekenis. Ach wat, er is hier niemand die haar kent en al slurpend en likkend loopt Ana Maria Concalves de Sousa de Breedestraat in. Ze heeft een uurtje over dat ze wil benutten met een bezoekje aan het koopjesgedeelte van de binnenstad.

otrobanda (2) Ze drinkt, slurpt en slentert. De winkels van Otrobanda geuren naar wierrook op dit uur. Hindoestaanse handelaren hebben aan hun middaggebed voldaan. Ze loopt langs etalages. Het aanbod is groot en gelijk. Het volledige assortiment ligt erin uitgestald. ‘What you see is what you can get’ Een exemplaar van alles. Marktkramen zijn het met een eenduidig inkoopbeleid. Het kost haar dan ook enige moeite voordat ze de winkel gevonden heeft die ze zoekt. Drie keer loopt ze mis. Nee, deze is het ook niet. Vlakbij het viaduct doet ze een vierde poging en een sterk beroep op haar geheugen. De winkel had een grote schoenencollectie achterin. Ja. De lange toonbank langs de rechterkant herkent ze. Een snelle blik werpt ze naar binnen. Er is ook een achterin in deze winkel. Ja, hier is het. Hier moet ze zijn.

Ana Maria Concalves de Sousa schuifelt tussen aangeklede paspoppen, drukdoende winkelmeisjes en overvolle rekken naar de achterkant van het pand. Vier rijen dik. De afdeling schoenen. En iemand die er in de clubkleuren van het bedrijf zelf schoenen staat te passen. Ze loopt langs de eerste rij met de bedoeling ze al slalommend allemaal langs te gaan. De schoenen staan bovenop de rekken uitgestald. Van elk exemplaar een. Daaronder genummerde blinde dozen. De nummers corresponderen met de nummers in de schoen. Geen omroepers hier. Haar oog valt op een comfortabele stapper die er elegant uitzien. Ze heeft helemaal geen schoenen nodig maar deze heeft schwung. Ze loert naar het nummer. Nu de daarbijbehorende doos nog.

Ana Maria Concalves de Sousa loopt het hele rek af maar kan de doos die ze zoekt niet vinden. Het schoenenmeisje heeft al die tijd nog niet op of om gekeken. Te druk met haar eigen beslommeringen. Er staan al zeker tien dozen om haar heen. Wanneer ze toch een poging waagt om haar hulp in te roepen, reageert het meisje al voordat de vraag van haar lippen glijdt. “Ki senora ta pensa. Deze of die?” Twee geschoeide voeten worden naar haar uitgestoken. Een is gevat in een sleehak met zeer dunne bandjes, de ander zit geperst in een stiletto met glitterstenen. Allebei zwart. De blik op het gezicht nadert de wanhoop. “Waar heb je ze voor nodig?” vraagt Ana Maria Concalves de Sousa. “Mi kasamentu. Anto mi no por disidi”. Het schoenenmeisje is al bezig dat wat ze aan heeft gedaan uit te trekken en grijpt naar een volgende exemplaar. Het “Rustig, rustig. Ik help je wel. Sinta numa” ontsnapt haar voordat ze er erg in heeft. En niet veel later loopt ze heen en weer tussen de schoenen en zoekt ze naar dozen met corresponderende nummers. Net zolang totdat ze de juiste schoenen voor de bruiloft heeft gevonden. Verguld staat het winkelmeisje voor de spiegel te draaien op de hakken waarmee ze haar grote stap zetten zal. Het is noch de sleehak, noch het paar stiletto’s geworden. Het zijn de schwungschoenen die Ana Maria Concalves de Sousa uiteindelijk toch vond.

 

 

Apostel te Mal Pais

WasteFinalDeposited

De achterbak van haar pick-up ligt vol met eigenaardigheden waar ze niet langer prijs op stelt. Een mannequin met een van haar oude bikini’s aan, de strandstoelen die ze haar ouders cadeau gaf maar die bij haar tot een versleten eindpunt kwamen omdat ze nu eenmaal ‘vaker naar de baai gaat’, verrotte spijlen van een hek  waar witte mieren een feestmaal aan hebben gehad. Het samenraapsel van wat eens welkom was, rammelt op en neer in de achterbak van de wagen die onderweg is naar Landfill te Mal Pais.

“Rij maar door. Te ku patras. Nada partikular den bo truk, senora” De man bij de ingang van de vuilstort ziet geen reden om het gewicht van de lading op te nemen. Het is ook alleen maar oude troep. Zij weet het en hij heeft het in een oogopslag ook allang gezien. Doorrijden, dus. Helemaal naar achteren. Met haar rotzooi.

De weg slingert door een stoffig landschap. Heuvels, sommige door de natuur daar neergezet, anderen door mensenhanden aangelegd om wat niet meer gewenst is te bedekken. Hoe verder ze het land van vuil inrijdt, hoe ‘ongeschikter’ de selectie. Van hopen glas op kleur rijdt ze langs opgestapelde lagen asbest. Dan een veld met ongeordende kapotte kliko’s waarna ze een heuvel opgeleid wordt. ‘Helemaal naar achteren’. In dit deel van het land van vuil is geen orde meer te ontdekken. En de chaos in haar achterbak hoort er thuis. Tussen het opwaaiende stof en de rondfladderende plastic zakken.

De mannen die op de bergen van afval werken, lopen af en aan. Een van hen wenkt haar. Ze stopt. Hij graait voor hij groet. Zijn handen gaan door haar afgedankte eigenaardigheden en trekken de oude stoelen onder het aangevreten hout uit.  “Die zijn nog goed.” Ze wijst op de mannequin. “Moet je geen vrouw hebben?” Hij schuift de pop lachend opzij. “Nee hoor, daar heb ik er thuis al een heleboel van.” De inspectie van de lading in de truck levert verder geen bijzonderheden op. De man wijst naar het eind van de heuvel waarop hij werkt. “Daar moet u heen, ik help u wel.” En hij gaat naast de mannequin zitten.

Alles wat over de rug van de heuvel wordt gegooid, krijgt eerst nog een laatste blik op bruikbaarheid. De naselectie van de selectie. Ze ziet mannen slepen met wat op het laatst nog gered kan worden. In haar rotzooi is niets meer te ontdekken. Alles wordt over de rand de kuil ingemikt. Klaar. Ze kan gaan en maakt aanstalten. “Senora, kunt u me een plezier doen en me meenemen naar buiten. Ik moet even naar de Chinees.” Hij zwaait naar zijn maten die zitten tussen wat zij vandaag gered hebben. Een van hen zit op haar gedumpte stoel. Er staat ook een houten kastje met een deurtje op half zeven. Een colafles staat erop. Rondom de man liggen nog meer spullen. De standaard van een lange lamp zonder kap. De peer zit er nog in, het aan-en uit touwtje bungelt heen en weer met de wind. En hij zwaait terug vanuit zijn woonkamer in de open lucht.

Het geluid in de pick-up klinkt als een kikker. “Is dat je telefoon?” vraagt ze. “Nee,” zegt haar passagier die zich inmiddels ontdaan heeft van zijn handschoenen . “Dat zijn mijn tanden. Ik knars.” Gouden randen langs de hele onder- en bovenkant van zijn gebit. Wiebelgoud. Hij laat het haar zien. “Ik ben apostel. Niet die uit de hemel maar die van de aarde.” Een gulden grijns krijgt ze als toegift terwijl ze zich afvraagt waar ze aan begonnen is. De man in haar wagen praat en zwaait naar de mannen die ook werken op Mal Pais. Hij oogst slechts de lach van vele gezichten. Ze gunnen hem de mazzel die hij heeft. Bij de uitgang is zijn joligheid op haar overgeslagen. “Ik heb een man gevonden, die neem ik mee.” Ze zegt het tegen de man bij de uitgang. Een hard gegrinnik ontsnapt vanachter het loket.

“Wacht u op mij?” Hij stapt uit bij de toko. Is al verdwenen voordat ze antwoord geven kan. Ach, ze heeft tijd. Wat kan het haar schelen. Een apostel in je auto, dat gebeurt niet elke dag. In haar spiegel ziet ze hem door de winkel lopen. Hij komt naar buiten met een bruine zak. “Ik heb niet veel maar ik wil u iets geven.” Hij vist een yoghurttoetje uit de zak. “Als dank voor het brengen en halen. En omdat ik gekregen heb waarom ik vroeg. Ik had een lift nodig en die heb ik gekregen” Ze lacht en zegt ‘di nada’ en begint aan de weg terug naar waar ze hem vond. Onderweg vraagt ze hem naar zijn werk en naar al die dingen die de naselectie overleven. “Zeg, eens wat is de grootste schat die je ooit vond?” De tanden blikkeren in haar wagen. “Senora…” Ze wacht eerst op wat er nog meer moet komen en herhaalt dan wat ze net heeft gevraagd. Twee glinsterogen kijken haar aan “Zoals ik net zei: u bent de grootste schat die ik hier vond.”

True story…

Een herinnering

Brionplein fotowedstrijd Annelies

“Voor 30 mei 1969 stond naast prachtige oude panden op het Brionplein een klein bruin huisje op de hoek van een steeg. Na de onlusten van 30 mei 1969 stond dat huisje als enige nog overeind tussen rokende puinhopen. Onbeschadigd en trots. De rommel van de verbrande panden werd opgeruimd. Nu stond het huisje echt alleen tussen wat eens was. Jaren later werden er naast dit huisje nieuwe panden gebouwd in felle kleuren. Het huisje op de hoek echter bleef z’n originele kleur houden, bruin. Dit bijzondere huisje is voor mij het symbool van ‘overleven en jezelf blijven’.”

Annelies A.