Yu di Korsou

Yu di korsou

This happened…

Amiguito 1

Amiguito 2

Oprisping uit het verleden

Elo 'gevangen' Ze is dertien, misschien bijna veertien, geschat op de ontwikkeling van het meisjeslichaam waarin ze woont. Lange benen, lange armen, daartussen in een nog vormeloos uitrekkend middenlijf, een sliert zoals haar vader wel eens tegen haar zegt. Bewegelijk is ze. Heupbewegingen nog zonder welvende golven. Ze loopt niet, ze veert op en neer, ze danst. Is anders dan de andere kinderen. Zo lijkt het maar het is niet echt zo. Ze is alleen maar verplaatst. Daar waar zij vandaan komt zijn de bewegingen van het lichaam nu eenmaal minder houterig. Waar zij vandaan komt, lopen de mensen allemaal dansend op straat. Hebben ze een loopje in een eigen stijl. Het is alleen maar anders waar ze nu is. Op haar fiets met een jas aan en een knisperwind rond haar gezicht. Verplaatst of misplaatst? Vandaag vraagt ze het zich af.

Ze trapt hard door, dwars door de polder waar vandaag maar geen einde aan lijkt te komen. Snot uit haar neus en tranen die ze met woeste gebaren over haar wangen uitsmeert. “Je moet even naar de directeur van de school. Hij wil je iets vragen.” Schoorvoetend verliet ze de klas en kwam op de gang haar zusje tegen. Ze wisselden een blik,”Jij ook?”, en samen liepen ze richting de directeurskamer. Een klop op de deur. “Ha, daar zijn jullie. Kom binnen. Toe maar, het is ok.” De deur viel achter hen dicht. Iets te hard. Net iets te hard. “Sorry”

Op het bureau van de directeur stond een apparaat met iets wat leek op een microfoon, daaronder een doos met rijen knopjes. “Het leek me leuk wanneer jullie je even voorstellen aan de hele school. Het namelijk niet elke dag dat we leerlingen hebben die uit Curacao komen. Dus kom maar even dichterbij en zeg iets in deze microfoon.” Ze had moeten weigeren. Haar zus bij de arm moeten pakken en zeggen ‘Kom we gaan’. De tranen op haar wangen zijn woedend warm terwijl ze trapt op de pedalen van haar fiets. “Niet zo hard, niet zo hard”, haar zusje achter haar probeert haar bij te houden. Dat gaat even niet. Ze moet harder, veel harder. Zo hard als ze kan. “Vooruit, toe maar. Zeg eens wat tegen je medeleerlingen.”

Ze ziet zichzelf de stap naar voren doen voordat haar zus ertoe bewogen is en doet haar mond open. “Bon, awel. Mijn naam heet Elodie en ik kom uit Curacao. Mijn zus en ik zijn nieuw nieuw op deze school. Ook in Holland. We moeten nog een beetje wennen. Danki.” De directeur knikte. Ze konden gaan. De gang van de school leek kouder dan even daarvoor. De blikken van de klasgenoten ook toen ze de klas weer instapte. ‘Nieuw, alles is nieuw. Maak je niet druk. Het komt allemaal goed.’ Ze zocht de geruststelling van de woorden van haar moeder terwijl ze zo snel mogelijk naar haar plaats in de klas terugliep. Gegniffel om haar heen en daar ging het heen… de eerste immitatie van het accent waarmee haar stem door de intercom van de school geschald had lag al op haar bord.

Hoe ver nog op deze rotweg? Hoe lang nog? Ze wil naar huis. Haar fiets in het hok mieteren en er nooit meer naar kijken. “Wacht nou, alsjeblieft.” Ze kijkt om en ziet dat haar zus met haar fiets aan de kant van de polderweg staat. Ze huilt met schokkende schouders. De fiets hangt ergens tussen de grond en haar benen. Een grom ontsnapt haar maar ze draait om. Fietst terug. Bij haar zus aangekomen ligt de fiets al helemaal op de grond. Onbedoeld valt haar blik opnieuw op de tekst die ook op de kettingkast van haar zus is aangebracht. “Vieze buitenlanders, rot op naar je eigen land.”

Bovenstaande speelde zich af in 1981 op het St Laurents College te Hilligersberg, aan de rand van Rotterdam. Mijn zus en ik hadden een ‘accent’ en dat was reden genoeg om te ontvangen wat ons ten deel viel. Anno 2014 vraag ik me dan ook rondom alle commotie van ‘racisme en discriminatie’ oprecht af: Ki nobo anto?

Waterwereld inspireert op land

directiestrandje (2)Curacao is vol onverwachte verrassingen voor wie echt kijken kan en wil.  Veel daarvan ligt in een zekere zin voor het grijpen en heeft niet veel meer nodig dan een duidend gebaar waarmee iets onder de aandacht wordt gebracht wat anders niet wordt gezien. Zoals de zeestenen en koralen die op de kusten van ons land liggen te liggen totdat… iemand daar meer in ziet. Zoals dat gebeurde met dit uitstapje.

Een groep teenagers werd vorige week door hun begeleidster meegesleurd naar het directeursstrandje achter Baja. Elf meiden in een bus reden langs Caracasbaai, Fort Beekenburg, het Quarantaine gebouw en maakten een lus terug over de landtong terwijl op de voorgrond het Santa Barbera Resort eerst verrees om daarna naar de achtergrond te schuiven. Een hit van Rihanna werd in de bus tot grote volumehoogte gejaagd. Loom hingen de meesten in hun busbankje, de vermoeidheid van een voorbije schooldag zichtbaar op de gezichten. Het doel van deze tocht was ‘steentjes’ zoeken voor een creatief project dat bij niemand nog echt bodem had gevat. Desalnietemin liep iedereen gedwee het directeursstrand op, gewapend met een plastic zak op zoek naar Joost mag weten wat. “Juf, ik ben moe”, “Juf, het is warm” en “Ai no, we hadden ook kunnen zwemmen hier.” De begeleidster negeerde de meeste opmerkingen met veel geduld maar plaatste er eentje terug: “Met carnaval is het ook warm en wordt je ook moe.” Protest alom. “Dat is heel wat anders, met carnaval ben je de hele tijd bezig.” “Dan zorg je maar dat je nu ook bezig bent.”  Het commentaar was  niet aan verder tegenstribbelen onderhevig. De begeleidster liep al op het strand met haar blik gericht op het tapijt aan koraalstenen dat er ligt. “Pak je stenen en dan gaan we weer.”
De meesten waren nog niet eerder op dit strand geweest. Een enkeling kende het wel en had er ooit eens in het water gelegen. Het strand echt bekijken en onderzoeken, was voor de meesten echter een nieuwe ervaring die al gauw tot een gretige verzamelwoede leidde. De kleine baai werd meter voor meter geinspecteerd, op zoek naar bruikbaar materiaal. Zittend op het strand werden de eerste prototypes van vormen en figuren samengesteld , een inspiratie vormend voor wat er mogelijk is. “Kijk, schoenen” en “Juffrouw, ik wil een engel maken.” Het plan van de begeleidster begon vastere vormen te krijgen. “Mag het ook een hart zijn, juf?”
Na een kleine anderhalf uur van zoeken en vinden waren de zakken vol. Wie klaar was struinde wat verder het strand over. Een dode zeespin leverde consternatie op. Vanuit een hoek van het strand steeg gegil op. Iemand had het dode dier aan een stokje geprikt en het de anderen onder de neus geduwd. Van de gelegenheid werd echter ook gebruik gemaakt om het dier eens van dichtbij te bekijken. “Ieuw” Iets verderop van het dode beest werden gedroogde en vergekalkte waterplanten gevonden. “Dat is net haar”.
De namiddag was al bijna voorbij toen de bus iets zwaarder dan bij aankomst wegreed waarmee het eerste deel van dit project was afgerond. Het spoelen van de steentjes en het drogen ervan was fase twee, zodat er later echt gewerkt kon worden.

P1020523

De groep verzamelde zich een paar dagen later opnieuw voor een ochtend ‘handenarbeid’. Op ronde tafels lagen de zeeschatten en andere bijzondere vondsten uitgestald. Siliconenlijm in de aanslag en wat onbewerkte houten plankjes. De begeleidster had een pallet uit elkaar gehaald en nog wat ander hout bij elkaar gescharreld. De eindfase van het project kon beginnen. Wat te doen met een hoop stenen op tafel? Handen en vingers begonnen te bewegen en te passen en te meten. Sommigen hielden zich aan het vooropgezette plan om te maken wat zij zich voor genomen hadden. Anderen lieten hun eerdere ideeen los en lieten de stenen voor zichzelf spreken. Een houten plankje als ondergrond gebruikend voor een nog te leggen puzzel zonder vaste uitlijning.

P1020540 Onder bedrijvige handen verscheen het hart met heel veel extra’s. De engel zag het leven. Zo ook namen, taferelen, cijfers en poppetjes. Een cartoonachtige creatie leidde tot een wild verhaal waarin beide figuren een hoofdrol speelden en waarbij de vertelster de anderen van de groep haast deed stikken van de lach. “Ryan en Jordan hadden een hond…” En met de geur van de zee nog aan hun handen produceerden deze meiden de meest wonderlijke kunstwerken met wat de waterwereld aan hen gegeven had.

P1020555
P1020551

 

Dit artikel verscheen eerder in de Amigoe.

Interview met Jeanne Marie Francisca

Jeanne Marie Francisca is minister van Sociale Zaken en Arbeid en Welzijn  (SOAW). Ze werd voor Pueblo Soberano op deze post aangesteld. In de Amigoe verscheen onlangs dit interview.
‘Niets gebeurt voor niets’
Een gesprek met Jeanne-Marie Francisca (PS), minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (Soaw) over haar ministerie, Fundashon Tayer Soshal (sociale werkplaats), collega- en gevolmachtigde minister Marvelyne Wiels, de plannen voor de toekomst, de moord op Helmin Wiels en wat er na haar ministerschap moet zijn neergezet.
Foto’s Ken Wong

De werkkamer van minister Jeanne-Marie Francisca in het Pietermaai Parking-gebouw heeft zicht op zee. De laatste keer dat ik er was, zat een van haar voorgangers Hensley Koeiman (MAN) als minister van Soaw van de ploeg van Gerrit Schotte in deze kamer. Het meubilair is vrijwel hetzelfde gebleven en staat op dezelfde plek als toen. Het verschil zit hem in de details, de persoonlijke ‘touch’ van de benoemde minister die gedurende zijn of haar regeerperiode vele uren in deze kamer door zal brengen. Francisca heeft in haar kamer een portret van Helmin Wiels hangen naast haar bureau, een van de wanden is zeeblauw geverfd en er staan verschillende chichi’s. “Ik vind dat ik op ze lijk”, zegt Francisca lachend terwijl ze op de kunstwerken wijst. “Vol op de plaatsen waar ik dat ook ben. Dat vind ik mooi en daarom staan ze hier.” We nemen plaats tegenover elkaar in haar ‘zitje’ bij het uitzicht op zee. De minister zit op haar ‘relaxbank’ en ik in de eenzitter schuin tegenover haar. We kunnen beginnen.

De 38-jarige minister van Soaw zit inmiddels ruim acht maanden op de post waarvoor ze naar voren werd geschoven door Jaime Cordoba (PS) die aanvankelijk de aangewezen persoon was om minister van Soaw te worden. “Het was een vreemde tijd. De moord op Helmin Wiels lag nog heel vers in het geheugen en er moest een gewone regering gevormd worden na een halfjaar takenkabinet. En aan Helmin zelf kon niemand meer iets vragen. Ik was een verrassing, dat weet ik.”
Francisca zelf is dan nog maar net drie jaar terug uit Nederland waar ze zestien jaar verbleef. “Ik heb altijd gezegd dat ik meteen na mijn studie terug zou komen naar huis. Het is niet gebeurd. Niet meteen. Wat er wel gebeurd is, is dat ik in toenemende mate onder de indruk raakte van Helmin Wiels en wist dat ik op een dag voor hem zou werken. Hij noemde de dingen bij hun naam en wilde echte veranderingen voor het volk. Meer en meer voelde ik dat ik aan dat doel een bijdrage wilde leveren. Het is misschien gek, maar ik ben veel meer van mijn land gaan houden door er een tijdlang niet te zijn. En op een dag was het genoeg. Ik zei tegen mijn partner dat ik terug ging naar Curaçao. Met of zonder hem. In 2010 waren we terug. Samen.”

Weer opstarten op Curaçao was niet gemakkelijk, zo geeft Francisca aan. “Drie kleine kinderen, inmiddels zijn het er vier, en je komt uit een land met een systeem dat heel anders functioneert dan op Curaçao. Ik moest enorm wennen. Voor mezelf. Voor de kinderen en ook op werkgebied. Alles gaat anders. Ik moet zeggen dat ik er versteld van heb gestaan hoe mensen op Curaçao met hun werk omgaan. Vooral in de ambtenarij. Het lijkt er soms op dat ambtenaren denken dat het volk in dienst staat van hen in plaats van andersom. Dat besef dat je salaris van gemeenschapsgeld wordt betaald en dat jij in een sector werkt waarbij jij het volk behoort te dienen, lijkt ver te zoeken.”

LMA op de schop
Francisca gaat rechter op zitten en kijkt naar de zee buiten. “Weet je wat het is? Ik ben opgevoed met het idee dat je mensen in hun waarde moet laten. Dat is een mooi maar abstract gegeven dat pas echt vorm krijgt wanneer je het ook daadwerkelijk gaat toepassen. En gaat zien waar de beperkingen liggen en hoe mensen misbruik maken van de ‘waarde’ die zij hebben. Wat ik in die acht maanden binnen de overheid heb gezien, maakt dat er niet gemakkelijker op. Mensen die zich regelmatig ‘even’ ziek melden, mensen die laat of niet op hun werk verschijnen, mensen die niet aangesproken willen worden op hun prestaties, dossiers die zoek zijn… het zijn ernstige zaken. En natuurlijk geldt dit niet voor alle ambtenaren: gelukkig zijn er ook verschillende mensen die hun werk met hart en ziel uitvoeren, die echt steunpilaren zijn voor ons ministerie. Maar ze zijn in de minderheid en dreigen te bezwijken omdat ze de taken op zich nemen die andere ambtenaren laten liggen. En je kunt dus als werkgever weinig aan die situatie veranderen omdat de rechten van de ambtenaren vastliggen in een regeling (Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht LMA, red.). Dat is me te strak, die LMA mag best eens kritisch bekeken worden. Ambtenaren horen het volk te dienen en daarop aangesproken te kunnen worden wanneer zij dat niet of onvoldoende doen. En in plaats van dat deze goedgeregelde werkomgeving ambtenaren in hun werk ‘vleugels’ geeft, wordt er regelmatig misbruik van gemaakt.”
Francisca praat met veel handgebaren en naarmate het onderwerp van gesprek haar meer raakt, gaat ze meer met haar handen bewegen. Het onderwerp waarover we praten gaat haar duidelijk aan het hart. “Kijk, ministers komen en gaan. Ambtenaren blijven. Je kunt een geliefde minister hebben of iemand waar je het minder goed mee kan vinden. Feit blijft dat de ambtenaar er is om het volk te dienen. Het hoort een eervol beroep te zijn. Ambtenaren hebben daar een eigen verantwoordelijkheid in en moeten zich daar bewust van zijn. We vertellen het volk keer op keer hetzelfde, waarom zouden ambtenaren dat dan niet moeten doen? Daar word je voor betaald. Maar al te vaak, merk ik nu, is men te druk met de een of andere parlementariër in te lichten over de handel en wandel van de minister in plaats van op de eigen werkplek orde op zaken te stellen en verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen handelen. Dat is heel triest. ”

Met betrekking tot dit ‘hand in eigen boezem steken’ of ‘eerst de splinter uit je oog halen voordat je wijst op de balk in die van een ander’ is Francisca ook willing om antwoord te geven op twee vragen die met het bovenstaande te maken hebben. Op ministerieel niveau dan. Ik vraag naar collega-minister Marvelyne Wiels en naar de perikelen rondom de Tayer Soshal.

Marvelyne Wiels
Behalve Francisca was de benoeming van de zus van Helmin Wiels, Marvelyne Wiels, tot gevolmachtigde minister voor Curaçao in Nederland ook een verrassing bij de invulling van de nieuwe regering die onder leiding van premier Ivar Asjes staat. Een minister overzee die net als Jeanne-Marie Francisca vanuit het PS-kamp werd benoemd en die inmiddels al twee keer in opspraak is geraakt. Eerst in verband met onregelmatigheden op haar curriculum vitae en daarna, onlangs opnieuw, door openlijk in conflict te raken met de verslaggever die die onregelmatigheden naar buiten bracht. “Ik weet niet wat ik erop moet zeggen”, verzucht Francisca. “Ik weet ook niet wat ik ermee moet. Ik kan niet in andermans hoofd kijken of lezen wat daarin omgaat.”

Tayer Soshal
De Fundashon Tayer Soshal, de sociale werkplaats op Sta. Martha, werd door minister Francisca vlak na haar aantreden ‘hard’ aangepakt. Vermeende misbruikpraktijken waren er de reden van de zaak tijdelijk te sluiten en het bestuur op non-actief te stellen. Ook werd er een interim-directeur aangesteld. Middels een kort geding dat door de minister werd verloren, kon het bestuur weer terug naar de sociale werkplaats. Francisca kwam in het nieuws door met stoom en kokend water af te reizen naar Sta. Martha om daar hoogstpersoonlijk de zaak onder handen te nemen. Wanneer ik dit optreden vergelijk met een dollemansrit op een paard met het zwaard van Vrouwe Justitia in haar hand begint Francisca heel hard te lachen. “Ja, ik weet het. Het zag er misschien wel zo uit en toch heb ik er geen spijt van. Van mijn handelen, bedoel ik dan.” Om de reden daarvan te formuleren neemt de minister even de tijd. Dan zegt ze: “Kijk, het is eigenlijk heel eenvoudig. Ik krijg bericht dat er ernstig misbruik gaande is. Met mensen die zich niet kunnen verdedigen. Of daartoe minder goed toe in staat zijn. Ik kreeg een briefje met ‘help’ erop in mijn handen gedrukt. En dat maakte indruk. Wat als het wel zo was? Het misbruik bedoel ik. Ik had het mezelf nooit vergeven als ik daar niets aan had gedaan. Ik heb de Tayer Soshal stopgezet, meteen, en van daaruit verder gekeken. Daar kon ik mee leven. En ik denk dat ik dit, wanneer zich zoiets opnieuw zou voordoen, precies zo zou hebben aangepakt.”

Projecten
Momenteel is Francisca bezig met een aantal projecten die, willen ze succesvol zijn, haar eigen ministerie overstijgen en waarvoor zij nauw samenwerkt met de ministeries van Onderwijs en die van Gezondheid. “We moeten terug naar de basis om de problemen in ons land aan te pakken. Onderwijs is een heel belangrijk onderdeel daarvan. Het staat aan het begin van het traject om voor jezelf te leren zorgen. De onderstand is een vangnet, geen blijvende staat van zijn. De tijd van de verzorgingsstaat is voorbij. Dat kan gewoon niet meer. Het gaat er nu om je eigen verantwoordelijkheid te nemen. Op alle niveaus. En dat betekent kansen creëren, je richten op arbeid en onderwijs met een integrale aanpak op wijkniveau. De nieuwe consulent zal zijn intrede gaan doen daar met een totaalaanpak inclusief schuldsanering en de blik op arbeid en het vergroten van de kansen daarop.”
Een ander probleem binnen de samenleving dringt zich op in de toenemende vergrijzing en wat daar allemaal bij komt kijken. “Minister Whiteman en ik zijn bezig om een indicatiecommissie op te zetten. Die is er ook nog niet. Ouderen en bejaarden hebben er recht op om daar een plek te vinden waar zij tot hun recht komen en waar ze een gelukkige oude dag kunnen doorbrengen. Dat is waarom een indicatiecommissie die vaststellen moet waar een oudere het best op zijn of haar plek is van belang is.”

Piepstem
Zich volledig bewust van haar nog jonge leeftijd en het concept dat zij ook nog veel te leren heeft, zegt Francisca dat zij blij is met de ervaring om haar heen. “Ik heb nog een piepstemmetje en ik moet leren van me te laten horen. Ik ben dan ook heel blij met mensen zoals Irene Dick (minister van Onderwijs, red.). Ze is ervaren, heeft kennis van zaken. Maar ik heb ook een frisse blik. Samen kunnen we heel veel voor elkaar krijgen. Ik heb het gevoel dat ik steeds meer voet aan de grond krijg en dat ik gehoord word met wat ik aankaart. Wat ik weet is dat wanneer mensen betrokken zijn bij wat ze doen en wat er rondom hen heen gebeurt, er heel veel mogelijk is. Dat wil ik terugbrengen in de wijken. En we gaan met de nieuwe consulent een paar pilots starten in een paar moeilijke wijken. Wijken zoals Soto, Koraal Specht, Brievengat, Buena Vista en Montaña.”

Straks
Op de vraag wat zij niet wil verliezen gedurende haar ministerschap zegt Francisca dat zij allereerst haar geweten wil behouden. “Ministers komen en ministers gaan. Sterker nog, het leven kan zomaar ophouden. Wat ik nu doe, op de plek waar ik zit, is goed focussen op wat ik kan doen voor het welzijn van ons volk. Ik hoop in elk geval dat ik de tijd krijg om de situatie van Tayer Soshal tot een goed einde te brengen en dat we met de pilots van de nieuwe consulent voet aan de grond krijgen. Ik ben en blijf een mucha humilde (een bescheiden mens) en misschien ben ik naïef maar ook mijn lach zal ik behouden. Ik ben van de mensen. Ik ga nog steeds overal heen om onder de mensen te blijven.”
Francisca wijst op het portret van haar inspirator. “Niets gebeurt voor niets. Kijk waar ik nu ben en waar ik een bijdrage aan leveren mag. Het is begonnen met deze man. Die niet meer onder ons is en waarvan ik meer en meer denk dat de oplossing van zijn moord ons niets verder zal brengen. Het gaat namelijk niet om zijn dood, het gaat erom wat hij heeft willen neerzetten voor het welzijn van zijn volk. En dat steun ik. Met hart en ziel. En dat zal ik blijven doen. Nu als minister en straks weer als ‘burger.

Balloon-a-licious

Een tijdje keerde ik het carnaval de rug toe. Om precies te zijn vanaf 2011. De economische malaise deed pijn aan mijn ogen en was zichtbaar in de afwerking van de outfits van de carnavalsgroepen. Het was ook het laatste jaar zonder dranghekken, als ik het goed heb. Carnaval 2011 deed pijn omdat er feest werd gevierd waar geen reden voor een feestje leek. Een jaar nadat we een eigen land waren geworden was de hoop en de trots vervangen door een haast tastbare teleurstelling. ‘Het is allemaal een beetje minder’ schreef ik in mijn stuk voor de krant hierover. En ik weet dat het waar was. Ik had daar een tijdje voor nodig om daarvan te herstellen

Het duurde drie jaar voordat ik me weer in het carnavalsgedruis waagde. Anno 2014 dacht ik… ach laat ik maar weer eens gaan kijken hoe we ervoor staan. Ik ben blij dat ik gegaan ben.

Hoewel degenen die sponsoren voor mij voor het eerst meer dan prominent aanwezig waren, inclusief verschillende nieuwe modellen van Auto-city in de kop van de optocht, was het een feest aan kleur en mooie outfits. Prachtige stoffen, afgewerkte kostuum en veel, heel veel mooie details.
Mijn absolute favoriet was de ballonnengroep die er wat creativiteit betreft voor mij uitsprong.Vindingrijk en verrassend. Een lust voor het oog en met zulk een simpel materiaal gemaakt. De ballonnen zelf deinden mee op de muziek en versterkten de oufits in de bewegingen. Maar het was niet de enige groep die zich de moeite had getroost om met iets moois voor de dag te komen. Er waren er velen.

Heerlijk was het om te zien dat mensen er weer zin in hebben om er iets speciaals van te maken. Het deed me goed, ik heb ervan genoten. De dip van 2011 lijkt tot het verleden te behoren. Dat geeft de burger moed en mij een ‘smile’ in mijn hart.

Wens

Ik wilde gisteren heel graag weer even een Monarch zien. De oranje vlinder is vaak om me heen en altijd komt zij op de proppen wanneer ik erom vraag. Dat wil zeggen: ik spreek de wens uit en zodra ik gestopt ben met de lucht afzoeken naar haar verschijning, laat ze zich zien. Zo gaat het: wensen, loslaten en voila daar is het. Niet altijd meteen. Soms zitten er zelfs een paar dagen tussen. Maar zich laten zien, doet ze altijd.

De Monarch is speciaal voor mij. Ze staat voor mijn gevoel, is mijn hart, mijn richtingaanwijzer en mijn verbinding met wie ik ben.  Steevast laat ze zich aan me zien wanneer ik (denk dat ik) het nodig heb. Een steuntje in de rug,  een knipoog zomaar, een bevestiging dat ik op de goede weg ben of zomaar om het geluksgevoel in mij voor een paar seconden naar de voorgrond te halen. Zo heb ik deze vlinder in mijn leven mogen ontvangen, of misschien is het eerder andersom zo gekomen. Hoe dan ook, ik wenste haar te zien gisteren. En al langer loop ik rond met de wens om er een heleboel bij elkaar te zien. Wensen, loslaten en toen gebeurde gisteren dit:

Ik zat tegen de steenwand tegenover de moskee naar het carnaval te kijken. Vanuit mijn ooghoek zag ik iets bewegen dat op deze vlinder leek. Ik keek, liet los en ‘viel’ vervolgens in een ware lawine van de oranje hartsvlinder. De zwerm aan Monarchs die daar op straat liep, heeft me diep ontroerd. Mijn lach kon niet breder en mijn tranen niet natter.

 

 

Volksfeest niet meer voor het volk

Al een paar jaar heb ik het… een toenemend gevoel van ongerief dat ik het beste kan kwalificeren als het inbeuken op mijn rechtvaardigheidsgevoel. Ik heb dit de laatste tijd steeds met Carnaval. En het is dit jaar weer een beetje luider dan het jaar daarvoor. Laat ik je voor het waarom hiervan meenemen naar een stuk uit het boek Carnaval waarin ik een verklaring van Shon Benchi optekende over de allereerste keer dat Carnaval op Curacao een publiek feest was. Maar daarvoor moet je eerst de tijdsgeest van toen tot je nemen:

Eind jaren vijftig onstaat er onder het Curaçaose volk de wens om carnaval uit het besloten circuit te halen en er een volksfeest van te maken. Daar is weerstand op. Het is verboden om op straat feest te vieren en de bestaande clubs willen hun eigen feesten blijven vieren. Die feesten trekken veel volk. Ook volk dat geen lid is en niet naar binnen mag.

Benjamin ‘Shon Benchi’ Wefer (1933), bar/restaurant eigenaar Cuchara Alegre: ‘Ik ben een vrolijk mens. Ik hou van plezier maken. Carnaval vierde ik al van kleins af aan. Maar dan op Aruba. Want daar was het al. Ik wilde altijd al dat er ook op Curaçao carnaval voor iedereen was. In de tijd van de clubfeesten was carnaval bij ons toch meer een elitair feestje. Niet overal, maar toch. Het heette ook geen carnaval. Maar baile desfras oftewel gemaskerd bal. Begin jaren vijftig was er ook een optocht. Van de besloten clubs. Die trok van het Rif naar Saliña om te eindigen bij Chobolobo. Het werd een troep. Mensen wilden meedoen en sprongen zomaar in de stoet. In hun eigen verkleedpak van papier of karton. Zo wilde men het niet meer. Maar het volk wilde ook meedoen. Om hen tegemoet te komen en om hen buiten de besloten feesten te houden werd er toen een band neergezet. Voor het politiebureau. Daar mocht het volk dan feestvieren. Onder toeziend oog van de sterke arm. In 1953 kwam de watersnoodramp en werd er geen carnaval gevierd. In de jaren daarna werd het carnaval eigenlijk niet meer echt opgepakt. Wel reisde men naar Aruba om in club Tivoli carnaval te vieren. Het plan om iets te doen voor het hele volk bleef als een zaadje groeien en in 1960 besloot ik dat het tijd was. Ik wilde voor het jaar daarop een carnaval organiseren als feest voor het hele volk. De straat op gaan met groepen in een grote optocht. Het was een wild plan dat niet gemakkelijk uit te voeren was. Ik wilde iedereen erbij betrekken en begon bij de bestaande clubs. Maar daar vond ik weinig gehoor. Zij wilden niet meedoen. Liever hun eigen feesten blijven vieren. Alleen club Beatrice, die wilde wel. Dat was mijn basis. Maar hoe kreeg ik meer groepen bij elkaar? Het idee kwam om een propaganda element in te voegen. Als bedrijven nou eens tijdens de optocht hun waar konden laten zien en misschien zelfs wat kleine dingen uitdelen. Op een garoshi (kar) die met de groep mee zou gaan in de optocht. Ik ging naar Globo –toendertijd dé zaak op o.a. het gebied van fotografie- en legde mijn plan voor. Bij Globo raakten ze enthousiast. Het bedrijf startte een groep. Met veertig tot vijftig mensen. Zo is grupo Globo, een groep die nog steeds bestaat, ontstaan. Ik ging nog meer bedrijven af. Van banda riba tot banda bou. Grupo Libby’s, grupo Dole, grupo Cocacola, grupo Shell…. Meneer Richardson hielp mee en regelde de steelbands. Voor elke groep eentje. Om met muziek te kunnen lopen. De route hadden we ook al bepaald: van het Rif naar radio Hoyer zouden we lopen. Radio Hoyer gaf erg veel aandacht aan het evenement. En ik kreeg het voor elkaar. Zo’n veertig groepen voor de carnavalsoptocht van 1961. Ik moest alleen de vergunning nog krijgen.’

In die tijd  was het gebruik maken van de openbare weg voor zoiets als een optocht ten strengste verboden. De gezaghebber moest er toestemming voor geven. Via een vergunning die bij de Speciale Dienst moest worden aangevraagd. Die vergunning kostte toendertijd nafl 2,50. Ruim op tijd deed Shon Benchi zijn aanvraag. Voor de allereerste grote carnavalsoptocht van 1961.

‘Een paar weken voordat het zover was had ik nog niks gehoord. Ik was al een paar keer bij de Speciale Dienst geweest maar niks. De tijd tikte door en ik besloot naar het Bestuurscollege te gaan om aan de gezaghebber zelf te vragen hoe of wat. Dat was op advies van dhr Tecla, toen secretaris. De gezaghebber (Michael Gorsira) was er niet maar wel zijn plaatsvervanger Dhr Kromhout. Meneer Kromhout gaf mij onomwonden te kennen dat ik die vergunning nooit zou krijgen. Dat ik niet goed bij mijn hoofd was om te denken dat het anders was. Dat die hele optocht een belemmering van het verkeer was en dat ik opgesloten zou worden als ik doorzette. Ik wist niet wat ‘belemmering van het verkeer’ betekende en dat schreef ik dus snel op. Ik werd weggestuurd en dat was het. Ik zou geen vergunning krijgen. Maar dat kon natuurlijk niet. Alles was al klaar. Het kon niet meer stoppen. Mensen waren al maanden bezig met hun garoshi’s en met hun kostuums. Bij hen kon ik nu al helemaal niet komen aanzetten met dat al dat werk allemaal voor niks was geweest. En het ging dus ook door. Maar niet helemaal zoals wij wilden. De politie zette de weg af. Bij Pietermaai. Zo konden we dus niet naar radio Hoyer. We hebben omgedraaid en zijn doorgelopen tot aan het postkantoor. En het was een groot sukses. Vier of vijf dagen na de optocht werd ik gearresteerd en naar het bureau gebracht. Ik was schuldig aan ‘belemmering van het verkeer.’ Inmiddels wist ik wat dat betekende want ik had het nagevraagd bij een juridisch adviseur. Bronswinkel, zo heette hij. Hij hoorde van mijn situatie en besloot te helpen. Hij ging naar de officier van Justitie en melde daar dat ik niet begrepen had wat ‘belemmering van verkeer’ betekende, dat ik niet wist dat een vergunningaanvraag alleen niet voldoende was (dat was niet helemaal waar) en dat ik bovendien nooit een afwijzing op papier had gekregen.  Het heeft een dag geduurd en toen heeft de gezaghebber toegegeven. Ik kon alsnog mijn vergunning halen en betalen bij de Speciale Dienst. Daarna heeft Bronswinkel geholpen om een stichting en juridische structuur op te zetten. Want zo hoorde het te gaan. De Stichting Centro Social Carnaval hebben we toen opgericht. Met het daarbijbehorende bestuur enzo. Zo hebben we het Curaçaose carnaval op de kaart gezet. En ik heb na die ene keer nooit meer problemen gehad met de vergunning.’

Vanaf die eerste keer in 1961 heeft het carnaval als volkfeest op Curaçao doorgezet. De eerste 10 jaar met steelbandmuziek en vanaf 1971 met de tumba. Ook de besloten clubs vormden groepen en voegden voor de grote optocht in.

Zo is het Carnaval ooit begonnen op Curacao. Met de bedoeling dit feest uit het ‘exclusieve’ circuit te halen en het toegankelijk te maken voor het hele volk. Dat was in 1961. En wat zien we anno 2014: Geen gratis uitzending meer op televisie van de muziekwedstrijd die tot het belangrijkste lied, na ons volkslied, moet leiden. Op de radio kun je het Tumbafestival gelukkig nog volgen. Maar wil je het festival vanuit je huiskamer meemaken dan is het: jawel betalen. Speciale ‘pay per view’ aanbiedingen scheren langs op TeleCuracao. Er zijn verder speciale secties gecreeerd in het Festivalcentre om het Tumbafestival bij te kunnen wonen die alleen nog maar te betalen zijn voor hen met een grote beurs. Zelfs de kaartjes van de ‘cattlesection’ zijn niet goedkoop. In toenemende mate slaat de commercie haar klauwen in het ‘grootste volksfeest’ van het jaar. Bands vragen steeds hogere bedragen om mee te rijden met een groep, met als gevolg dat de prijskaartjes voor deelname aan de carnavalsoptocht ook steeds hoger worden. Het absolute dieptepunt voor mij is dat nu besloten is dat de optochten ook niet meer uitgezonden worden. Niemand wilde de rechten betalen die volgens de Carnavalsstichting betaald moet worden ter compensatie van de … jawel commercialisering van Carnaval. Het gevolg: de oma’s die oppasten op de kinderen terwijl er aan de kostuums werd gewerkt of werd bijgebeund om deelname te kunnen betalen kunnen niet meegenieten van waaraan zij hebben bijgedragen. Rondom elke deelnemer aan het carnaval, zij het de kinderen, de teenagers of de volwassenen, hangen zeker vier mensen die er vrijwillig aan hebben meegewerkt. Zodat het kan. Vrijwillig! Heel vaak, je hoort het goed. En niet iedereen kan of wil naar de optocht om te gaan kijken. Ervan genieten vanuit de huiskamer, soms met een groot scherm en een eigen feestje, behoort tot het verleden. Omdat er betaald moet worden… voor de uitzendrechten.

Wat heb je aan een volksfeest waar steeds minder mensen aan deel kunnen nemen?  Meer en meer schuift ‘ons carnaval’ naar een situatie toe van waaruit het eens begonnen is: alleen nog maar bereikbaar voor de ‘elite’. We moeten ons kapot schamen en de eerste de beste die roept van ‘Carnaval is verbroedering’ en ‘Het mooiste volksfeest van het jaar’ die kan wat mij betreft deze tirade over z’n hoofd krijgen en hopelijk wordt die persoon dan wakker. Bin bei… we zijn niet aan het verbroederen met deze ingeslagen weg: we zijn aan het segmenteren. Naar arm en rijk!

Ps: Heb zojuist begrepen dat het Kindercarnaval wel is opgepakt door TeleCuracao…. zou men wakker geworden zijn?

De muze Curacao

Zoals verschenen in de Napa van 15 februari 2014. Foto’s van Ken Wong

Kunsthistorica Jennifer Smit over kunst van eigen bodem: “Of je haar nu haat, liefhebt, minacht, adoreert, veracht of bemint, het gaat altijd om wat dit land met je doet. Dat is de gemene deler van het werk van onze kunstenaars. Alles draait om Curaçao. En het allermooiste vind ik dat die ervaring steeds in beweging is. Niet alleen bij onze eigen kunstenaars maar ook bij passanten die door dit land geraakt worden. En ze doen er allemaal het hunne mee, afgezet tegen eigen ervaringen, de schoonheid van het land, de sociale omstandigheden, de culturele achtergronden en ja, ook hun herkomst. Het is een constant zoeken en vormgeven van een identiteit die geen absolute is. Sterker nog zij is vloeibaar en daarmee steeds opnieuw aan verandering onderheving. In goede en in slechte zin.”

Download het hele interview Jennifer smit 2 Jennifer smit 1 

 

Valentijn… freestyle

foto Edsel Sambo

De roodste, zoetste  en misschien wel meest commerciele dag van het jaar is Valentijn. Op 14 februari wordt iedereen ‘gek’ van de liefde en in die gekkigheid weet men bijna niet meer wat hij of zij moet doen.  Vooral bij tieners is dit verschijnsel alomvertegenwoordigd op Valentijnsdag. De verwachting giert rond met de mogelijke teleurstelling ook heel dicht aan het hart… wel of geen cadeautje, wel of geen kaart… het verschil tussen ‘geliefd’ zijn of niet meedogenloos zichtbaar in wie er op school rondloopt met rozen of chocolaatjes. Voor wie het moois ten deelt valt… kan de dag niet meer stuk. Voor hen die niets liefdevols overkomt, blijft de hartewens dat het volgend jaar zomaar ineens anders kan zijn. Want love is in the air. Voor iedereen.

De emoties rondom het verschijnsel liefde zijn op je zestiende of zeventiende even overweldigend als dat zij verontrustend kunnen zijn. Soms doen beiden zich tegelijkertijd voor en dat roept vragen op… heel veel vragen waar vaak vooral voor hen die de liefde nog niet hebben ervaren geen eenduidig antwoord op is. Verwarring brengt het, juist op een leeftijd dat je de wereld in kaart begint te krijgen en waarin je eigen mening en positionering aan het bepalen bent. Vandaar dat deze foto me zo trof: twee jongens bezig met Valentijnsgedoe op school. De alom aanwezige verwarring samengevat in een statement: What is love…