Voor je sta ik…

heart-butterfly-lovely-picture

Voor je sta ik

met in mijn handen

niets dan mijn hart

 

mijn vlinderadem

woont er

die het leven in

en uitlaat

zoals het komt

 

mijn vermogen

tot liefde is ermee

verbonden

het is de ruimte in mij

waar ik ben wat ik

altijd geweest ben:

een met jou

 

Voor je sta ik

met in mijn handen

niets dan mijn hart

Ik bied het je aan

want dit hart is ook van jou

Durf je het aan…

dit van me

aan te nemen

en mij het jouwe

te geven?

 

Openstaan

De wagen werd achterstevoren de heuvel opgetrokken door een pick-up. “Wat een sukkels”, was het commentaar hierop. “Zo trek je toch geen auto met pech.” Het scenario werd direct zonder enig nadenken gewogen, te licht bevonden en verketterd. Op het oog veroordeeld: een domme actie uitgevoerd door domme mensen. Iemand dacht iets langer na en probeerde de situatie te begrijpen. Daar kwamen mogelijkheden uit die vanuit het eigen referentiekader ontsproten zoals: misschien zit de wagen ‘vast’ in zijn achteruitschakelstand of is er geen andere mogelijkheid om een sleepkabel te bevestigen dan aan de achterkant van de auto.

De echte reden van deze ‘andersom’-actie lag echter in heel iets anders besloten: de wagen had een probleem met de accu en werd achteruit omhoog gesleept om te kunnen jumpstarten. Niet lang na de snelle veroordelingen en de geopperde mogelijkheden werd deze efficiënte oplossing in werking gesteld. De wagen werd losgehaakt, startte en reed helemaal zelf de heuvel af. De verketteraar en de ‘denkende’ met open mond achterlatend. Tja, zo kan het dus ook.

In deze situatie lag een les besloten. Niet altijd is namelijk wat op het oog zo lijkt, precies wat het is. En niet altijd is wat we denken, precies zoals het is. En in dat besef is een zee aan ruimte te ontdekken waarin verrassing en groei mogelijk zijn. Dus: oordeel niet meteen over een situatie en neem de tijd om stil te staan bij de (on)mogelijkheden. En tot slot: blijf open staan voor oplossingen en ideeën waar je zelf niet direct aan zou hebben gedacht. Het enige dat daarvoor nodig is, is iets verder van jezelf af gaan staan en een beetje meer vertrouwen hebben in de ander.

Een fijne Kerst toegewenst!

Dit commentaar stond deze week in de Amigoe

De biechtvader van kompa Nanzi

roy evers (2)In hem weerklinkt

het geweten van een land

dat spreekt van

oorzaak en gevolg

van chaos en wanorde

rechte lijnen

trekt hij

dwars over

een scheef pad

 

In hem huist ook

het duivelse vat

van ongefundeerde

argumenten

die in de dans

van damage control

op zeer creatieve wijze

de gedachten aan

oorzaak en gevolg

doen sneuvelen

voordat het een

tot het ander kan beklijven

 

Uit hem komen

de woorden die

wijzen naar de

logica en de rede

om die vervolgens

geheel expres

op de hak te

laten nemen

 

De biechtvader

wijst op de rechte weg

maar mag zich ook

graag begeven

in de kronkelstegen

van het geweten

waar recht wordt

wat krom was

en andersom

totdat iedereen

vergeten is

waar de wandeling begon

 

Zoals in de roddel

van de chuchubi

toch altijd ook

een waarheid huist

Zo vinden alle

Kompa Nanzi’s

bij deze biechtvader

een zeer gewillig thuis

 

Voor Roy Evers 2014©Elodie Heloise

 

 

 

Mens

conflict

“Article 2.
Everyone is entitled to all the rights and freedoms set forth in this Declaration, without distinction of any kind, such as race, colour, sex, language, religion, political or other opinion, national or social origin, property, birth or other status. Furthermore, no distinction shall be made on the basis of the political, jurisdictional or international status of the country or territory to which a person belongs, whether it be independent, trust, non-self-governing or under any other limitation of sovereignty.

Article 3.
Everyone has the right to life, liberty and security of person…”

De eerste drie artikelen van de Universal Declaration of Human Rights zoals die door de Verenigde Naties werden aangenomen op 10 December 1948 te Parijs, drie jaar na het fysieke einde van de Tweede Wereldoorlog. Deze universele rechten van de mens zijn door vele landen in de wereld omarmd, onderstreept en als ondergrond aangenomen voor het regelen van onderlinge verhoudingen tussen mensen. Met de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog nog op het netvlies, kon niemand daar natuurlijk anders over denken.

Dat was 66 jaar geleden -meer dan een halve eeuw geleden klinkt misschien indrukwekkender- en ik vraag me af hoe de oorspronkelijke opstellers van deze declaratie nu naar ons zouden kijken. Anno 2014 staan al deze ‘verworven rechten’ onder druk. Het recht op gelijkheid is door de paar die veel en de velen die slechts een beetje of niets hebben in de afgelopen decennia volledig de grond ingestampt. Er is geen gelijkheid, er is slechts een groeiende sociaal maatschappelijke ongelijkheid die het recht op gelijkheid als een chronische ziekte heeft aangetast.

De plek die ‘geld’ in onze wereld inneemt, staat bij mijn weten niet geformuleerd in de Universele rechten van de Mens. Wel het recht op onderwijs en op gelijke kansen. In het allereerste artikel van de decaratie doen de makers een beroep op ‘het verstand’ en het ‘geweten’ van de mens als belangrijkste ophang voor de rest van de artikelen. Prachtige waarden die echter van nul en generlei waarde worden wanneer de mens te maken krijgt met een ongelijke verdeling van geld, of erger met (de vrees van) het ontbreken of het teruglopen ervan.

En dan hebben we het nog niet over schaarste veroorzaakt door het feit dat er erg veel mensen op deze wereld wonen. In 1966 bedroeg de geschatte wereldpopulatie iets meer dan 3 miljard mensen. Voor 2014 komt die berekening uit op iets meer dan 7 miljard levende zielen …. dat is meer dan een verdubbeling. En we zijn nog niet klaar… voor 2050 staat de geschatte teller op meer dan 9 miljard mensen. En het lijkt erop dat naarmate er meer van ons zijn, we elkaar in  omgekeerd evenredige wijze benaderen: hoe meer we zijn in aantal, hoe minder we elkaar de ruimte geven of elkaar gunnen wat van iedereen is. Zoals lucht, water en voeding, basiselementen voor leven die in toenemende mate strategisch worden ingepikt door hen die over de middelen beschikken. Het recht van de rijksten prevaleert boven gelijkheid door de vrees voor schaarste gerechtvaardigd. En in dat proces vertrappen we elkaars rechten en al stampende vergeten we dat dat ook de onze zijn.

Eerlijk gezegd is de mens anno 2014 naar mijn smaak het verstand volledig bijster en is het geweten tot ‘loos’ geworden. Gelijkheid en broederschap zijn idealistische luchtkastelen geworden waar we dromerig over lezen terwijl de kinderen van de buurman honger hebben en we onze deuren afsluiten met extra sloten om ‘de gevolgen van ongelijkheid buiten de deur te houden. De rechten op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van religie, vrijheid van seksuele voorkeur liggen in scherven op de grond. In plaats ervan zijn we  homofoob, Islamafoob,  en is er niemand meer die zijn mond echt durft open te trekken want dat kan je je ‘baan’ en in sommige gevallen zelfs je leven kosten. Het verstand en het geweten zijn tot instrumenten verworden die aangesproken worden voor damagecontrol voor een chaos die we zelf veroorzaakt hebben en waar we ons ‘mens-zijn’ verliezen omdat het recht van de sterkste in onze overlevingsdrang de beste kansen biedt. We wilden alleen maar meer en meer om nu aan het dreigende eind van een ‘heb’orgie te ontdekken dat we eigenlijk alleen maar minder over hebben.  Ons verstand en ons geweten voeren ons ver weg van rechtvaardigheid of gelijkheid. Sterker nog we zetten deze elementen in of uit zoals het ons in het behoud van ons eigen cirkeltje uitkomt. Een cirkeltje dat steeds minder mensen betreft.

‘Niets nieuws onder de zon’, zeggen de mensen die ik ken die al wat langer in deze wereld rondlopen dan ik dat doe. ‘Het is altijd zo geweest’, zeggen wijze mannen en vrouwen die religies en geschiedenissen hebben bestudeerd. ‘We leven in het ijzeren tijdperk,’ zegt een oude dichter. ‘De mens beweegt in cirkels en doet steeds hetzelfde, al eeuwen lang.’ Geen soelaas dus, geen evolutie van de soort, slechts een stompzinnige herhaling van hetzelfde of erger een neergang van weergaloze omvang in zijn soort… is dat echt wat wij als mensen zijn?

Ik weiger dat te geloven. Er zijn teveel mensen die voelen dat er iets niet klopt. Er zijn ook teveel mensen die het slachtoffer dreigen te worden hiervan en te weinig die er baat bij hebben. Ik denk eerder dat de tijd is aangebroken om de Universele Declaratie van de Rechten van de Mens in de steigers te zetten en te herijken naar deze tijd met een blik op een toekomst voor iedereen. In artikel 1 zou om te beginnen een toevoeging geplaatst moeten worden: ‘They are endowed with reason, conscience and a heart….’  Onze emoties zijn naar mijn idee namelijk een veel eerlijker meetinstrument dan ‘verstand’ of ‘geweten’. Ratio en cognitieve sociaal maatschappelijke programmering van een waarden- en normensysteem zou ten dienste moeten staan van het hart en niet andersom. Daarbij moeten we het nodig gaan hebben over wat gelijkheid is en waar de grenzen liggen van vrijheid. En laten we het ook alsjeblieft gaan hebben over de plek die geld en middelen in die ‘gelijkheid’ hebben. Feitelijk moeten we van de Universal Decleration of human Rights naar de Universal Declaration of Human Rights and Obligations. Anders kunnen we onze zogeheten gelijkheid en de toekomst van deze wereld verder wel gedag zeggen.

 

Aan de oppervlakte van het bestaan

Aan de oppervlakte

van het bestaan

ligt mijn huid die afstoot

wat ik niet kan hebben

kijk ik enkel naar wat zich presenteert

hoor ik de oervorm van geluid

maar versta ik niet de woorden

of de emoties die er achter schuilen

 

Zintuigen feesten op de roes

van dagelijkse beslommeringen

en vinden voor even een

oppervlakkig gerief

in dit niet-denken,

in dit niet voelen

in dit delirium van

handelen zonder hart

 

Mensen, zijn wij nog wel mensen

wanneer wij ons alleen nog maar bewegen

aan de oppervlakte van het bestaan

Wat is onze toegevoegde waarde

wanneer we kijken

maar niet meer kunnen zien

wat zich onder de oppervlakte bevindt?

 

Aan de oppervlakte van het bestaan

vind ik mezelf in fragmenten terug

die tot karikaturen verworden zijn

in de repeterende dwangwaan van de dag

de Dag die ik zelfs niet langer meer

als de mijne beschouw

 

Een man in mijn leven…

Budda Andre Nagtegaal …die mijn licht op handen draagt in alles wat ik doe en het aanwakkert als ik het donker maak.

…die naast me zit, zelfs als ik zijn aanwezigheid vergeten ben.

…die me eraan herinnert te zijn waar ik ben zonder er te hoeven blijven.

…die mijn hart tot mijn centrum maakt van waaruit wat ik denk steeds lichter wordt tot de gedachte vervaagt en afreist naar het land van Ego en Ik.

…die stilte in stilte aanbiedt op elk moment van de dag.

…die mij wijst op het licht dat elke ontmoeting en gebeurtenis in zich draagt.

…die mij leert los te laten nog voor ik heb vastgepakt.

…die een vrijheid voorstaat waarin het leven niets meer is dan aaneengeschakelde stukjes nu.

…waarvan ik op elk moment van de dag leren mag wanneer ik dat wil.

Schilderij/Foto Andre Nagtegaal

Have a heart…

Whatever we do

is useless

when undertaken

for the sake

of knowing

better

 

Whatever we say

is senseless

when we throw

words around

just to be loud

not to be heard

 

Whatever we think

is madness

when all we can

access

for thought

is our mind

 

Oh, what a pollution

of the human kind

For what we fear

and want to get rid of

is what truly fuels

our actions

where all we

do, say or think

leads to more

senseless, mad

uselessness

 

Have a heart!

Toko ku Fe

christoffel 2010 kln

Erna heeft geen haast. Zaterdagochtend. Kom op zeg. Wie er ook nu al voor haar winkel zit, kan wel even wachten. En wachten zullen ze. Dat weet ze zo zeker als het gefluit van de chuchubi in de morgen.

Het zijn de dagen naar de aanloop van de behandeling van de moordzaak Wiels, er is net gisteren een nieuwe aanhouding gedaan en zij is de enige in de omgeving die van kranten wordt voorzien. Het nieuws van Bandariba wordt op Bandabou angstvallig bijgehouden. Of het nu om regenten gaat, moord, doodslag, een nieuwe miss voor ‘god-mag-weten-wat’ of een nieuwe ontwikkeling in het onderwijs. Wat aan de ene kant van de brug wordt beslist, sijpelt uiteindelijk ook door tot het vrije land daarachter. Behalve voor de vissers. Die maken hun eigen dienst wel uit.

Erna loopt vanaf haar huis de winkel in. De achteringang waar ook het brood wordt bezorgd. Een glimp op het verzwaarde hekwerk achter de glaspui bevestigt wat ze daarnet al dacht. Er staan tien klanten te wachten op het moment dat zij de deur van haar toko opendoet. “Bondia yufrou Erna” klinkt het in koor. Het steekt haar vanmorgen. Die zo geheten beleefde verwijzing naar haar ongetrouwd zijn. Ze is nog altijd ‘Yufrou…’ hier achter haar tralietoonbank. Een soort slotzuster is ze, zoals de nonnen in het klooster op Skerpene, maar dan eentje die wel zo nu en dan naar buiten mag.

De mensen die de toko binnen stappen kent ze allemaal. Stuk voor stuk. En hun geschiedenis ook. “Hoe gaat het met yufrou Erna’s moeder?” Nog zo’n opmerking die haar vandaag niet lekker valt. ‘Toko ku fe’ zo noemde haar moeder de nieuw op te richten zaak. Hoe lang geleden? Het voelt als honderd jaar. Honderd jaar waarin er niets veranderd is. En in het ziek-zijn van haar moeder ligt de angstaanjagende belofte besloten dat er de komende honderd jaar ook niets zal veranderen. Belofte? Nee, die weg is al ingeslagen. Het ‘bon dia shon Mimi’ is zonder dat ze er echt acht op geslagen had veranderd in ‘bon dia yufrou Erna’. De volgende honderd jaar zijn al begonnen.

Het hoofd van een ex-minister staart haar aan. ‘Aangehouden in verband met de moord op politicus Helmin Wiels’. Een schreeuwkop. ‘Hier, Yubi. En moet je de kranten van gisteren en eergisteren ook nog hebben? Ik heb je een paar dagen niet gezien.” Ze is begonnen. Handelt af zonder te vragen wie er het langst wacht. Ze weet dat Yubi er om half zeven al was. Er is dan ook niemand die protesteert. Yubi gromt iets en neemt zijn kranten aan. Ook die van gisteren en eergisteren. “Groet je vader voor me” Ze roept het tegen Yubi’s gebogen rug. Een hand gaat de lucht in. Yubi de zwijgzame zal Erna’s groeten overbrengen aan zijn vader die op de kranten wacht. En ook hij zal niets zeggen. Zo is die familie nu eenmaal. “Carlo, wat is het vandaag?” Ze doet een gok. Meestal is Carlo eerder dan Shurendella. “Nee, het is mijn beurt. Heeft yufou Erna een pakje sigaretten voor mij en twee potjes.” Erna schuifelt naar achteren. Gisteren heeft de baby iets met worteltjes gehad. Dat kind moet wel een beetje gevarieerd eten. Haar hand reikt naar een potje met rundvlees. Nee, toch maar de spinazie en een fruithap. Het is de tijd van muggen en daarmee van griep en verkoudheid. Onderweg terug naar de toonbank grijpt ze ook een pakje Richmond. “Je zou moeten stoppen met roken. Dat is niet goed voor je kinderen.” Shurendella lacht een beetje betrapt verlegen. “Mi sa. Mi sa. Pero yufrou Erna mes sa. Het is moeilijk.” Erna laat een tjuri horen. Het smakkende geluid van afkeuring krijgt geen bijval in de toko. Niemand durft. Een dergelijke steunbetuiging kan zomaar ineens in een aanval veranderen. Wanneer Erna haar oog op je laat vallen. Shurendella legt twee tientjes op de toonbank en maakt dat ze wegkomt. “Ik kom straks wel voor het wisselgeld… die kleine heeft honger.”

pan sera (2)Achter Carlo die nu geholpen wordt met kranten en beltegoed staat Paquito. Paquito is groot en heeft groot ontzag voor yufrou Erna. Haar bui is niet zo goed vanochtend en hij heeft brood nodig. Niets in de winkel verraadt dat het brood vanochtend ook bezorgd is. Er valt zelfs geen vleugje van een geur van versgebakken brood te bespeuren. De redding komt van Djaka. “Ey Erna konta? Tin pan fresku kaba?” Erna bevriest heel even. De wachtenden in de toko hebben als vanzelf ruimte gemaakt om de gespierde man die onder de tatoeages zit door te laten lopen tot aan de tralietoonbank. Ze kijkt hem aan over de rand van haar leesbril. “Yufrou Erna voor jou! Denk erom. En zou je niet eens netjes op je beurt wachten? Paquito… Hoeveel broodjes heb je nodig? Daar kwam je toch voor?” Paquito steekt drie vingers op en loopt even later met een papieren zakje dat hij haast niet in zijn handen houden kan naar buiten. Heet. Het brood is nog heet.

Carlo staat inmiddels midden in de toko zijn krant te lezen. Djaka, die eigenlijk Ernesto heet, moet zijn geduld oefenen aangezien hij vakkundig door Erna wordt genegeerd. Hij verdraagt het met een lach. Hij weet wie hier in dit stukje Westpunt de baas is. Carlo moet betalen en heeft alleen honderd gulden bij zich. “Ai dios. Niks kleiners Carlo. Shoot hombu. Ga maar. Betaal die krant maar een andere keer.” En Erna wappert hem weg. Dan is de beurt aan rasta ‘Peace’. Milieuafbreekbare wasverzachter zoekt hij. Dat is een uitdaging. Erna loopt weer naar achteren. Ergens heeft ze iets dergelijks liggen. Ze vindt een groene fles en loopt ermee naar Peace. “Dit of niks.” De rasta draait de fles om en leest het etiket. “Wie volgt?” Djaka steekt zijn vinger op. “Ben je er nog?” De opmerking levert een grijns op. Ze ziet dat hij er drie gouden tanden bij heeft. Hoofdschuddend draait Erna zich om. Het was zo’n leuke jongen. Vroeger. Deed het niet goed op school maar hij kon geweldig tekenen. Een tijdlang was hij weg van Bandabou. Naar Nederland zeiden ze. Anderen fluisterden van drugs en gangs. Djaka’s moeder had er nooit iets over los willen laten en ineens was hij terug. De rest liet zich raden. Erna verdeelt twintig pan sera over twee bruine zakken. Dat is wat Djaka gisteren heeft besteld. Met twee armen vol loopt ze terug.

Dan… consternatie. Djaka grijpt naar zijn achterbroekzak. Iedereen die nog in de toko is springt opzij of vliegt naar buiten. Peace heeft de fles wasverzachter uit zijn handen laten glippen. Erna ziet het gebeuren terwijl ze naar de toonbank loopt. Ze laat de zakken uit haar armen vallen. Twintig pan sera broodjes rollen over de vloer. De portemonnee die Djaka uit zijn broekzak heeft gehaald, is dik. Heel dik en zwaar. Zoals de stilte die nu gevallen is in Toko ku Fe van groot gewicht is. Djaka vertrekt geen spier. Rustig klinkt zijn stem. “Five second rule, yufrou Erna. Five second rule.” Hij wijst op de broodjes op de grond. Erna is weer ‘bij’ en verzamelt wat er op de grond ligt. Djaka neemt de zakken aan. Het geld heeft hij al op de toonbank gelegd. Twee briefjes en wat losgeld. “Felis dia” en weg is hij.

Erna staat het lege voorportaal van haar toko te dweilen. De wasverzachter die Peace uit zijn handen heeft laten vallen, geurt na in de winkel. Ze mopt de plakkerige zeep van haar vloer. Wanneer ze de mop uit de emmer halt en wil uitknijpen valt haar blik valt op het geld dat Djaka op de toonbank heeft achtergelaten. Er steekt een kaartje onderuit. Ze pakt het op en zet haar leesbril goed. ‘Ernesto Fontiles, tattoo artist and piercing expert’ staat erop.

Voor de niet-Papiamentstaligen: Toko ku Fe betekent vrij vertaald Toko met vertrouwen

 

 

 

A thousand laughs…

… and equally as many tears

robin williams

 

Ana Maria Concalves de Sousa

rechtvoor otrobanda (2)Het bezoek aan Kranshi is over in een vloek en een zucht. Ana Maria Concalves de Sousa loopt vijftien minuten nadat ze een nummertje trok met haar verzoek voor een nieuw paspoort naar buiten. Vijftien minuten, ze kan het niet geloven. Nummer 922 kwam uit een onbegrijpelijk apparaat. Een vierkante doos met een spugende gleuf. ‘Er zijn twee mensen voor u’ las ze op het papiertje dat haar in de hand werd gedrukt door een strengvriendelijke baliemedewerker. Voorbereid was ze het bevolkingsregister komen bezoeken.  Klaar om minimaal een uur in de wachtkamer door te brengen. Boek mee, een stiekeme club social in een plastic zakje -om kruimels in haar tas te voorkomen en een pakje appelsap. Klein en compact. Met zo’n rietje in plastic erop geplakt. Ze ging zitten tussen de andere bezoekers. Het zou haar tijd wel duren. Ze was niet anders gewend.

Rode cijfers lichtten op in een zwarte balk. Ze correspondeerden met de nummers op het kaartje in iemands hand. Dat had ze zich door haar buurvrouw laten vertellen. “Dona Ana Maria, dan moet je wel blijven opletten. Want als je nummer voorbij is…” Van wie zou het zijn? Dat felle nummer op het bord. Ze keek om zich heen. De kudde binnen leek op een troep ‘Ja-knikkers’. Iedereen keek op, slechts eentje had geluk, de rest liet het hoofd weer zakken. Wat is er eigenlijk gebeurd met het omroepen van je nummer of naam? Even dacht ze dat ze haar vraag hardop had uitgesproken. Dat was toen ze de bewaker hoorde.

De bewaker in de zaal wees niet alleen op het flikkerende billboard maar riep ook het winnende lot naar de wachtende mensen. Un bon yu di Korsou, constateerde ze tevreden. Eentje die werkt met wat er is en die dat combineert met wat er was. Het zou haar niet verbazen wanneer het omroepen niet meer in zijn functieomschrijving stond en toch nog steeds het meest belangrijke onderdeel van zijn baan was. Dienstverlening naar behoefte. Of die nu voortkwam vanuit de onwil om los te laten wat eens was of vanuit de ervaring van de praktijk die allang had bewezen dat er bij nieuwe procedures een overgangsperiode ingelast dient te worden. Wat ook nog kan, bedacht ze, is de weerzin reserve schoenen weg te gooien ookal heb je al nieuwe. Stel dat Kodela, of nee Aqualectra want zo heet het nutsbedrijf tegenwoordig, een oprisping heeft en het nieuwe systeem lamlegt, dan moet Kranshi toch gewoon door kunnen draaien… met jawel het oude system ofwel: de omroeper.

Nummer 922 verscheen op het bord en de bewaker liet weten op gepaste wijze weten wiens beurt het was. Ze stond op, wist wat ze moest doen. En dan staat ze buiten  In vijftien minuten. Met het pakje appelsap in haar hand. Het komt uit de voorraad die haar schoondochter regelmatig bij haar neerzet. De kleinkinderen nemen die pakjes mee naar school. Het leek haar handig om er eentje mee te nemen op de expeditie van vandaag. Maar wat een gepiel om dat rietje door het met folie afgeschermde prikgat te krijgen, dat is wanneer je het al voor elkaar kreeg het rietje uit zijn plastic hoesje te krijgen. “Wela, wela, kijk. Deze kant heeft een scherpe punt”. In zoverre is ze voorgelicht. Gedecideerd drukt ze het rietje met de juiste kant door het gat. De eerste slok gutst over haar hand. “Niet in het pakje knijpen als je drukt, wela. Je moet er niet in knijpen”. Die tweede aanwijzing krijgt nu voor het eerst een echte betekenis. Ach wat, er is hier niemand die haar kent en al slurpend en likkend loopt Ana Maria Concalves de Sousa de Breedestraat in. Ze heeft een uurtje over dat ze wil benutten met een bezoekje aan het koopjesgedeelte van de binnenstad.

otrobanda (2) Ze drinkt, slurpt en slentert. De winkels van Otrobanda geuren naar wierrook op dit uur. Hindoestaanse handelaren hebben aan hun middaggebed voldaan. Ze loopt langs etalages. Het aanbod is groot en gelijk. Het volledige assortiment ligt erin uitgestald. ‘What you see is what you can get’ Een exemplaar van alles. Marktkramen zijn het met een eenduidig inkoopbeleid. Het kost haar dan ook enige moeite voordat ze de winkel gevonden heeft die ze zoekt. Drie keer loopt ze mis. Nee, deze is het ook niet. Vlakbij het viaduct doet ze een vierde poging en een sterk beroep op haar geheugen. De winkel had een grote schoenencollectie achterin. Ja. De lange toonbank langs de rechterkant herkent ze. Een snelle blik werpt ze naar binnen. Er is ook een achterin in deze winkel. Ja, hier is het. Hier moet ze zijn.

Ana Maria Concalves de Sousa schuifelt tussen aangeklede paspoppen, drukdoende winkelmeisjes en overvolle rekken naar de achterkant van het pand. Vier rijen dik. De afdeling schoenen. En iemand die er in de clubkleuren van het bedrijf zelf schoenen staat te passen. Ze loopt langs de eerste rij met de bedoeling ze al slalommend allemaal langs te gaan. De schoenen staan bovenop de rekken uitgestald. Van elk exemplaar een. Daaronder genummerde blinde dozen. De nummers corresponderen met de nummers in de schoen. Geen omroepers hier. Haar oog valt op een comfortabele stapper die er elegant uitzien. Ze heeft helemaal geen schoenen nodig maar deze heeft schwung. Ze loert naar het nummer. Nu de daarbijbehorende doos nog.

Ana Maria Concalves de Sousa loopt het hele rek af maar kan de doos die ze zoekt niet vinden. Het schoenenmeisje heeft al die tijd nog niet op of om gekeken. Te druk met haar eigen beslommeringen. Er staan al zeker tien dozen om haar heen. Wanneer ze toch een poging waagt om haar hulp in te roepen, reageert het meisje al voordat de vraag van haar lippen glijdt. “Ki senora ta pensa. Deze of die?” Twee geschoeide voeten worden naar haar uitgestoken. Een is gevat in een sleehak met zeer dunne bandjes, de ander zit geperst in een stiletto met glitterstenen. Allebei zwart. De blik op het gezicht nadert de wanhoop. “Waar heb je ze voor nodig?” vraagt Ana Maria Concalves de Sousa. “Mi kasamentu. Anto mi no por disidi”. Het schoenenmeisje is al bezig dat wat ze aan heeft gedaan uit te trekken en grijpt naar een volgende exemplaar. Het “Rustig, rustig. Ik help je wel. Sinta numa” ontsnapt haar voordat ze er erg in heeft. En niet veel later loopt ze heen en weer tussen de schoenen en zoekt ze naar dozen met corresponderende nummers. Net zolang totdat ze de juiste schoenen voor de bruiloft heeft gevonden. Verguld staat het winkelmeisje voor de spiegel te draaien op de hakken waarmee ze haar grote stap zetten zal. Het is noch de sleehak, noch het paar stiletto’s geworden. Het zijn de schwungschoenen die Ana Maria Concalves de Sousa uiteindelijk toch vond.