De moeder, de puber en de was


Pubers zijn heel erg leuk. Meestal. Ik mag ze wel met hun gekke gedoe. Zeer vindingrijk in het ontwijken van alles wat er naast puber-zijn nog meer van ze wordt verwacht. En in het geval van mijn puber levert het ‘iets moeten’ vaak een discussie op waarvoor ik me best schrap moet zetten. De mijne ‘pakt’ me namelijk op hiaten, niet rijmende logica en alle dingen die ik vergeten ben. Het is zo nu en dan een zoet toeven voor hem wanneer hij een woordoverwinning op zijn moeder behaalt. En hij heeft geluk, ik ben geen slechte verliezer, kan tegen een stootje en heb waardering voor zijn redeneerkunst. Ik heb ook geluk want hetzelfde geldt inmiddels voor hem. Het spel van de woorden vinden we allebei leuk. Het winnen ervan op basis van argumenten levert eigenlijk altijd wederzijdse waardering op. Soms aangevuld met iets wat teveel lol. Zoals vandaag.

Er zijn twee plekken waar ik de was ophang. Een open en bloot naast het huis. En een onder een afdak. Dat laatste in verband met de regen en een jonge hond die de was aan die waslijn ziet als een uitnodiging voor een spelletje koekhappen. De tijdelijk permanente ‘ophangplek’ is momenteel onder het afdak dus. En bijna altijd moet er een nieuwe was aan de lijn wanneer er nog een droge afgehaald moet worden. De was ophangen betekent dus ook de was afhalen. Ookal is er nog een waslijn beschikbaar die tijdelijk -voor ons eigen welzijn en dat van de hond- buiten gebruik is gesteld.

Vandaag vroeg ik mijn puber om de was op te hangen. Daar begin ik op tijd mee omdat ik vind dat hij het recht heeft om zelf te bepalen wanneer hij dat doet, zolang het maar past binnen het droogschema. En vandaag is het droogschema dat de was vandaag droog moet zijn. Ik begon om 10 uur. “Ja, mam… ik doe het zo.” Ik vroeg het weer om 11 uur. “Ik ben nog even bezig. Laat me. Ik doe het heus wel. Straks.” Tegen 12 uur begon mijn planning in het gedrang te komen en daarmee de droge broeken en shirts die mijn puber de volgende dag nodig heeft. En ik liep opnieuw naar hem toe om hem te ‘herinneren’ aan onze deal.

“Er is een reden waarom ik graag wil dat je niet zo lang meer wacht met het ophangen. Je wil morgen toch ook graag schone kleren aan? Als je het nu ophangt dan is het vandaag nog droog.”
Mijn puber hoort mij aan en kijkt naar de waslijn onder het afdak. Er hangt droge was in de schaduw. Hij kijkt naar de lege waslijn in de ‘no-go-zone’ en telt zijn zegeningen. Daar kan hij de was ophangen in de zon, hoeft hij die droge was niet af te halen om plaats te maken voor de nieuw en kan hij het daadwerkelijk doen ervan nog wel even uitstellen. Maar dat moet ie natuurlijk wel beargumenteren. Het woordenspel begint…

“Mam, die was wordt nooit droog daarachter onder het afdak. Daar schijnt geen zon. Ik kan het toch beter ophangen aan die andere lijn? En ik hou de hond wel in de gaten. Deze keer zal ik beter opletten.” Het koppie dat ie erbij trekt is aandoenlijk duivels lief. Vooral ook vanwege dat ‘de hond in de gaten houden’. Dat is geen optie, dat weet hij. Maar hij doet een beroep op mijn vergevingsgezindheid waar het ‘zullen we het nog eens proberen’ heel vaak ruimte krijgt. Alleen heb ik een wasdeadline en ‘proberen’ in dit geval behelst ook de kans dat het fout gaat. “Vandaag is daar geen tijd voor, schat”, zeg ik lief.”Geen experimenten vandaag. De kleren moeten droog.” En ik leg zijn eerste argument gefileerd en al terug op zijn bord. Maar er komt meer. Hij heeft zichzelf namelijk schaakmat gezet zonder het te beseffen. Ik weet dat al, hij nog niet. Behoedzaam kies ik mijn volgende woorden:

“En verder”, zeg ik. “Kan ik met wat je nog meer vertelt over de zon enzo eigenlijk alleen maar concluderen dat je de was vaker zult moeten ophangen en afhalen.”
Het gezicht van mijn puber gaat onmiddelijk over in een pijnlijk vraagteken. Hij had het zo mooi bedacht en ziet zichzelf nu met een losse flodder geconfronteerd die hij niet heeft zien aankomen. Ik kan bijna zien hoe zijn hersenen de impact van zijn woorden proberen te berekenen en hoe hij met dit nieuwe ingredient erbij alsnog de schade kan beperken. Zo leuk om te zien want hij komt er niet uit…en vaker de was ophangen was nou niet wat hij voor ogen had. Ik laat hem nog heel even spartelen en kop dan mijn gelijk in met een logica waar hij met zijn slimme hoofd niets tegen in kan brengen.

“Denk je nou echt dat alleen de zon de was droogt? Nee, schat… het is de wind. En die is er onder het afdak meer dan genoeg. Dus vooruit nu.”
Die had mijn luie draak niet verwacht en onmiddelijk krijg ik de waardering die bij het winnen van dit spel hoort. Hij lacht en zegt: “Hey mam het was het proberen waard.”

De was hangt inmiddels onder het afdak en de schone droge was ligt op mijn bed. En ik geniet nog even na van deze overwinning. Nu eens kijken of ik hem er met het ‘was-vouwen’ ook in kan luizen.

Sjoerd en Ko

Sjoerd Kuyper en Ko van Geemert onlangs op Landhuis Bloemhof.

Twee dichters op een eiland spraken over de liefde en de dood. De een doet liever gewoon zonder poeha, de ander kan het juist niet gek genoeg. Een scherpe observator en een gevoelskunstenaar kwamen van hun eiland op een eiland bij elkaar. Gedichten als harteliederen zonder muziek ontmoetten de woorden van verwarring die schuilen in het onderzoeken van de onbeantwoorde vraag. Heel even dansten deze dichters samen -in hun hoofd dan- en strooiden zij de woorden als confetti uit over het publiek. De schoonheid van de liefde hand in hand met de gruwelen van de dood. Twee tegengestelde polen werden geklonken aan elkaar. Het publiek geraakt, gewond en geroerd achterlatend. In contact met hun gevoel.

#Sjoerd Kuyper
#Ko van Geemert
#Curacao

Veer-Kracht

‘Bon dia, bon siman i konta ku bo?’ Mijn anders zo hartelijk ontvangen groet ketste zonder het gewenste effect tegen het glas van de tankstationkassa naar mij terug. De jongedame die er achter zat, keek me met doffe ogen aan. Heel even maakten haar mondhoeken een begin met de gulle lach die ik van haar gewend ben en die de kuiltjes in haar wangen op en neer laat springen. Ze kwam niet verder dan een lauwe start. Haar brede lach bleef uit en de twinkel in haar ogen was in geen velden of wegen te bekennen. Zo kende ik haar niet. Op alle mogelijke en onmogelijke tijden van de dag wanneer ik haar op het werk tref, is zij altijd vrolijk of op z’n minst goedgemutst. Een glimlach op haar lippen toveren kost geen enkele moeite. Een ‘bon dia’ is genoeg. Maar vandaag niet. Vandaag was er iets heel erg mis. “Wat is er?”, vroeg ik geschrokken.

“Ach, senora. Ik wil weg van Curacao. Het gaat steeds slechter. Er is hier geen toekomst Ik kan niet meer.” Wat ze zei en wat ze uitstraalde was hetzelfde. Het is een van de redenen waarom ik haar zo graag mag. De boodschap vond ik alleen niet te verteren.

Ik ken haar al jaren. Dat wil zeggen ik ontmoet haar al jaren met enige regelmaat bij het tankstation waar ik vaste klant ben. En door de jaren heen hebben we korte gesprekken waarbij we elkaar toch steeds een beetje beter leren kennen. Het is alsof we een doorlopend gesprek met elkaar voeren dat zo nu en dan wordt onderbroken en weer wordt opgepakt. Zo weet ik dat ze een zoon heeft, dat ze een alleenstaande moeder is, dat ze heel hard werkt en uit een kleine familie komt. Uitgaan en stappen doet ze niet. Ze besteedt haar tijd liever aan haar zoon. Ze houdt van de mondi en de zee. Vroeger als kind speelde ze in de heuvels van Rooi Santu. Een zacht lief mens is ze. Ze klaagt niet, ze zeurt niet, ze leeft haar leven en maakt overal het beste van met tomeloos optimisme. We praten over de prijzen van kip, welke botika de beste haarspullen heeft en waar je een goede rugzak voor school kan kopen. Ik weet ook dat ze de zorg draagt voor haar ouders die al op leeftijd zijn en dat ze heel erg trots is op haar zoon. Zika hebben ze allebei onlangs ook gehad en de tip om met je rug tegen de muur op en neer te schuren tegen de jeuk heb ik van haar.

De krant nemen we soms ook door, maar alleen als er niet teveel klanten achter me staan. En wanneer ik de voorpagina van de Extra, die elke morgen vastgeklipt zit aan het raam, snel scan, roept ze met een bloedserieus gezicht dat ik een kwartje voor het lezen moet betalen. Ik steek dan mijn tong naar haar uit en dan is ie er meteen: die stralende lach. Maar vandaag niet.

“Mijn zoon zit nu in groep acht en heeft al weken geen leerkracht. Dat kan toch niet. Hij moet oefenen voor de EFO-toets en trainen met rekenen en taal. Hij zit thuis omdat het onderverdelen van de leerlingen bij de andere leerkrachten van de school een te zware belasting is.” Ze zegt het zonder hoop op een verbetering op korte termijn. Met reden want daar heeft ze op school al naar gevraagd. “Er zijn geen invallers, zeggen ze. Mijn zoon is nerveus aan het worden en zegt dat ie dan maar naar een andere school moet. Maar dat gaat niet zo gemakkelijk en als dat al lukt: wat gaat dat dan betekenen voor zijn EFO-toets als hij nu eerst weer ergens anders moet gaan wennen?” Het nivo van de jongen gaat tussen Vsbo en Havo op en neer. Dat had ze me al eens eerder verteld. En mij gevraagd naar de school van mijn VWO-kinderen. Ik weet nog dat ik tegen haar zei hoe belangrijk het is dat een kind na de basisschool op een plek terrecht komt die bij het kind past. Onder het nivo is niet leuk maar daarboven ook niet. Van beiden ken ik voorbeelden te over. Maar ik had er geen over de effecten van het niet hebben van een leerkracht in groep 8.

“Weet u, mevrouw. Voor alles is uiteindelijk een oplossing. Als je er maar aan werkt. Maar ik ben maar een heel gewoon mens en dit kan ik niet oplossen. Ik werk hard, zorg voor mijn zoon zo goed als ik kan. Maar wat voor toekomst heeft hij wanneer hij niet eens naar school kan? Hoe gaat hij verder…? Nee, dan kan ik hier beter weggaan. Voor hem en zijn kansen. Op deze manier is het wonen en leven hier op Curacao niet meer te doen. Ik kan niet meer. We komen niet vooruit. Hoe erg ik dat ook vind.”

Ik moest slikken en zag haar in gedachten als klein meisje rondrennen door de heuvels van Rooi Santu. Vol vertrouwen, geaard met de plek waar ze is, goedlachs met wapperende haren in de wind, de zon dragend als een tweede huid. Ik dacht ook aan de vrouw die ze een week geleden nog was en waar ik dat kleine meisje altijd weer in herken. En ik bedacht me hoe het zou zijn wanneer haar lach niet meer door de heuvels van Rooi Santu zou klinken. Ondenkbaar en onverteerbaar.

“Weet je,’ zei ik. “Zolang er mensen op Curacao zijn zoals jij moet het goedkomen. Dat kan gewoon niet anders.” Ik oogste daarmee een lach en een traan. Bij ons allebei.

Beschermengel

Deze werd afgeleverd ergens in Leiden door een Curacaose engel. Ze nam hem in haar koffer mee om mijn kind in de kou met wat moederzon te verrassen. Dankjewel lieve M.

Taal terroristen…


De brieven die ik vanuit Curacao op het flinterdunne lichtblauwe luchtpostpapier aan mijn Omi schreef, kreeg ik rood gecorrigeerd terug uit Delft. Mijn grootmoeder was geabonneerd op ‘Onze Taal’ en maakte er een zeer serieus punt van dat het Nederlands in haar kringen op de juiste wijze werd gebezigd. Ik behoorde tot haar kring, ookal zat ik tienduizend kilometer bij haar vandaan, en aldus maakte zij van haar hart geen moordkuil. En met haar rode strepen, voedde zij niet alleen mijn respect maar ook mijn liefde voor mijn moedertaal. Ik voelde me uitgedaagd en streefde naar die ene brief die niet met rode strepen maar met een krul en misschien zelfs voorzien van een poezieplaatje (met glitter) naar Curacao terug gestuurd zou worden. En tot de dag van vandaag ben ik mijn grootmoeder dankbaar voor haar kritische -soms zeer pijnlijke- voetnoten en angels bij mijn kinderbrieven. De wortels die zij water gaf toen, bleken zeer essentieel voor wie ik ben geworden: een taaldier.

Onlangs besloot ik mijn motorrijtuigenbelasting te gaan betalen. Geheel januari had ik al ongestraft rond kunnen rijden met een sticker op mijn voorruit ‘valido te 31 di december 2016’ en ik besloot mijn geluk niet langer te tarten. Bij het Cpost-kantoor aan de Santa Rosaweg was geen kip te bekennen en aldus besloot ik tussen het afleveren van een kind op school en de gang naar het werk een tussenstop te maken. Er stond een wachtende voor me en mijn oog viel op de aanduiding aan het eind van de rij. Je weet wel… dat is het bord dat in je snufferd staat wanneer je bijna aan de beurt bent maar alle loketten voor je nog bezet zijn. In vier talen wordt de wachtende mens duidelijk gemaakt dat je je gemak moet houden totdat er een loket beschikbaar is. Ik moest nog even geduld hebben en had dus de tijd om het bord te lezen.

Drie talen werden correct gehanteerd. Het Nederlands, het Engels en het Spaans. Het Papiamentu echter had een woord ertussen staan dat geen Papiaments was. Iemand had met potlood de juiste spelling erboven gezet en ook nog een alternatief geboden voor de fout. En terwijl ik het las, werd ik teruggebracht naar mijn brieven aan mijn grootmoeder. Taal is een serieuze zaak en wie er ook naar Cpost aan de Santa Rosaweg gaat, zal -indien de rij lang genoeg is – het woord ‘beurt’ nooit meer verkeerd schrijven in het Papiaments. Daar heeft de taalterrorist die daar is langsgeweest mooi voor gezorgd.

‘Zo jammer van je tijd als je niks doet’

Noot van de auteur: Om een of andere reden was dit artikel van mijn website verdwenen. Het werd gepubliceerd in 2011 in het Antilliaans Dagblad. Ik repost het hier omdat het naar mijn idee niet aan belang heeft ingeboet. En omdat ik Shik vandaag weer even gezien heb.

Shik-Tong Chan over de Chinese Gemeenschap op Curaçao

Naar aanleiding van de negatieve uitlatingen van Pueblo Soberano leider Helmin Wiels op de Chinezen van Curaçao en een televisieoptreden van Shik-Tong Chan, woordvoerder van de Chinese gemeenschap op ons eiland, in reactie daarop, nam ik contact op met de secretaris van de belangenvereniging Chinese Four Villages Neighbour’s Club. Het was namelijk nogal opmerkelijk om ‘geluid’ te horen vanuit de Chinese gemeenschap die zich doorgaans niet laat horen en die zich ver van commentaar of inmenging houdt. Het commentaar van Chan tijdens de uitzending van Telenotisia waar om zijn reactie werd gevraagd op de uitspraken van Wiels (PS): ‘Chinezen ontduiken belasting, werken onhygiënisch, prostitueren jonge meisjes, er bestaat een Chinese maffia’ en wat dies meer zij was zakelijk, stipte zorgen van algemeen belang aan en was nergens emotioneel geladen. ,,Pas op met het stigmatiseren van een bevolkingsgroep, de wet geldt voor iedereen dus ook voor Chinezen, wie fout bezig is, moet aangepakt worden volgens het justitieel systeem. Daar is het voor. Wij zijn een belangenvereniging voor Chinezen, niet voor criminelen.”

Er zat slechts een kleine humoristische ‘verzetsopmerking’ in zijn betoog: ,,Wie de schoen past trekke hem aan”, zei Chan tegen Franklin Haseth van Telenotisia. ,,En voor ons Chinezen geldt dat wij nog steeds op blote voeten lopen.” Typisch Chinees, dacht ik. Onaantastbaar, wat er ook gebeurt. Maar terwijl ik mezelf betrapte op deze ‘stigmatisering’ bedacht ik me ook hoe weinig we eigenlijk weten van deze bevolkingsgroep op ons eiland die zo duidelijk aanwezig is in ons dagelijks leven maar die tegelijkertijd zo ontoegankelijk voor ons lijkt. Harde werkers zijn het. Dat weten we. Maar verder? Wie heeft er een Chinees in zijn vriendenkring? Chinezen lijken genoeg te hebben aan elkaar. En wat betekent dat voor het integratieproces op de plek waar zij wonen. Bij ons op Curaçao.

Shik-Tong Chan kwam op zijn elfde in 1968 naar Curaçao. Rechtstreeks uit het toen nog Britse Hong Kong. ,,De situatie in Hong Kong was zorgwekkend, door de arbeidersonrust in de jaren zestig waar de linkse beweging achter zat beïnvloed door de leer van Mao. Veel Chinezen zochten hun heil elders. Het was een kleine exodus uit Hong Kong in die tijd.” Chan’s vader kwam van de provincie Guangdong, uit een landbouwstreek in het zuiden van China die uit vier ‘villages’ bestaat: Xinhui, Taisan, Kaipin en het dorp van Chan’s vader: Enping. Voor het communisme zijn intrede deed in China had deze streek van oudsher banden met andere landbouwgebieden in de wereld waaronder in Cuba, Venezuela, Jamaica en Trinidat & Tobago. Een familielid van Chan zat in Cuba.

Maar toen daar het communistisch regime van Castro gevestigd werd keek men verder rond in het Caribisch gebied. ,,Je gaat niet het ene communistische land verlaten om dan in een ander communistisch land te gaan wonen, toch.” Het familielid van Chan week uit naar Curaçao. Chan’s vader voegde zich bij hem om te werken, 3 maanden voor de geboorte van Shik Tong, zodat hij zijn familie thuis beter kon onderhouden. ,,Dat was nog voor het begin van het communisme in China. Ik zag hem pas voor het eerst toen ik zeven jaar was in Hong Kong. Toen die arbeidersonrust in Hong Kong kwam, besloot mijn vader de rest van het gezin naar Curaçao te halen. Mijn vader werkte eerst op een plantage op Blauw (achter Jan Doret) en werd naderhand kok bij Lam Yuen. Daarna opende hij een eigen restaurant.”

Mensen als Shik-Tong’s vader kwamen met lege handen en werkten hard met als doel dat hun kinderen het beter kregen. ,,Werken voor de volgende generatie, zeg maar.” Werknemers, van huis uit geen ondernemers of zakenlui. Chinezen die hier op Curaçao met het kapitalistisch systeem leerden omgaan. Veel eerder dan de generatie Chinezen die zich nu overzee vestigen. ,,De huidige generatie heeft niet de tijd gehad om te wennen aan het kapitalisme. Ze zijn er bij wijze van spreken ingevallen vanuit een communistische opvoeding.” Anders dan Shik-Tong’s vader toetertijd komen deze Chinezen met startkapitaal dat zij al in China vergaard hebben.

De opvolger van Mao, Deng Xiaoping liet via Hong Kong op gereguleerde wijze welvaart en rijkdom geleidelijk aan China in sijpelen. Rijk worden en geld verdienen mocht ineens wel. ,,De Chinezen die nu komen hebben dus geld. Er wordt meteen een zaak gekocht. De hele familie komt mee. De zaak wordt uitgebouwd en uitgebreid. Heel hard werken ook deze mensen. ,,Het gaat er nu om zo snel mogelijk rijk te worden. Niet alleen uit financieel oogpunt, het gaat er eerder om dat je met geld zekerheden hebt waarmee je weer beter voor het nageslacht kan zorgen. Je moet je bedenken wat de mogelijkheden voor hen zijn nu. Zij die geen eigen auto of huis konden bezitten, kunnen er nu drie kopen als ze dat zouden willen. Het geld is er en het mag. Je mag ongebreideld kopen wat je hebben wil. Dat is voor deze generatie emigranten een compleet nieuwe vrijheid die soms overweldigt.”

Dat doel staat op het netvlies en dat is dan ook van het allerhoogste belang. Het lijkt erop dat het ik-gevoel na jarenlang een verplicht wij-gevoel te hebben de ruimte nodig heeft. Echt mengen en integreren met de lokale bevolking doet deze nieuwe groep emigranten niet. Dat geeft ook Shik-Tong toe. ,,De betrokkenheid bij de plek waar zij wonen is professioneel functioneel. Chinezen zijn hele flexibele mensen. Ze passen zich aan maar verliezen het hogere doel nooit uit het oog. Uitgaan doen ze niet. Ze werken. Leren de taal waar dat nodig is om te functioneren Men heeft weinig of geen lokale vrienden. Je moet niet vergeten dat zij een hele oude cultuur met zich meedragen. Een cultuur die in vele opzichten anders is.”

De Chinezen zijn vanuit hun cultuur altijd bezig met verder komen dan waar je bent en daar wordt heel hard voor gewerkt. Shik-Tong is van dit stuk China zelf ook een prachtig voorbeeld. Eeuwig aan het studeren, alle studies afgemaakt en zodra er een af is weer iets nieuws beginnen om verder te ontwikkelen. ,,Het is zo jammer van je tijd als je niks doet”, zegt hij hierover. ,,Chinezen kijken van binnen naar buiten in de zin van mogelijkheden en potentieel dat zij vanuit zichzelf kunnen ontwikkelen. Anders dan anderen waarvan er velen zijn die de ander de schuld geven van hun ellende of niet geslaagd zijn. Die kijken van buiten naar binnen, zeg maar. Men ziet dat zo’n Chineze zaak groeit. Dat er uitgebouwd wordt. Dat er geld wordt verdiend. En dan ineens is het daar. Dat commentaar van ‘zij pakken onze banen af’ of ‘zij verpesten onze economie’. Maar men vergeet dat er dag en nacht voor wordt gewerkt. Keihard. Uitgaan en feestjes horen daar niet bij. Een bezoek aan het casino, dat nog wel. Maar verder niet”

Mensen die ontevreden zijn maar zelf niet iets ondernemen om die ontevredenheid te veranderen kunnen volgens Shik-Tong gemakkelijk meegenomen worden in de retoriek van politici met demagogische kwaliteiten.

De Chinese cultuur verschilt ook van de Curaçaose in de manier waarop Chinezen omgaan met leiderschap en autoriteit. ,,We hebben altijd sterke leiders gehad en gerespecteerd. Daar zijn wij aan gewend vanuit het oude systeem. Kijk maar naar onze geschiedenis als keizerrijk. Sommigen noemen dat ‘ondergeschikt’ zijn maar zo voelen wij dat helemaal niet. Leiderschap is iets waar Chinezen heel natuurlijk mee omgaan. Het is nodig en het functioneert. Anders gedefinieerd, dat is wat wij Chinezen zijn.”

Het Papiaments is voor Chinezen niet moeilijk te leren volgens Shik-Tong die zelf meer dan zes talen spreekt en schrijft. ,,Dat komt omdat er grammaticale overeenkomsten inzitten die wij met het Nederlands helemaal niet delen. Nederlands is veel moeilijker. Wij kennen geen tijdsaanduiding, werken niet met mannelijk of vrouwelijke lidwoorden en gebruiken geen ‘overbodige’ termen in onze taal. Om je een voorbeeld te geven: Twee honden. Waarom moet dan het woord ‘hond’ ook veranderen? Als je zegt twee dan is dat toch al meteen duidelijk. In het Papiaments verandert het woord ‘kacho’ niet naar een meervoudsvorm. Je zegt gewoon ‘dos kacho’. Taal behoort een overbrugging tussen mensen te zijn. Met het Nederlands is dat niet eenvoudig.“

Veel van de chinezen die nu naar Curaçao komen, zijn volgens Shik-Tong afkomstig van het platte land. Dat laat ook cultuurverschillen naar boven komen die niet representatief zijn voor de Chinese bevolking maar die wel het beeld van chinezen op Curaçao bepalen. ,,Kijk, wat wij doen bij de Chinese Four Villages Neighbour’s Club is mensen vertellen hoe het hier gaat. Wat de gedragsregels zijn. Dat je niet direct vanuit de keuken naar het casino kan gaan. Iedereen uit de Chinese gemeenschap komt bij ons terecht. Nieuwe en oude emigranten. We zijn één in onze cultuur. Dat gevoel is heel sterk. Voor veel van deze mensen is de informatie die wij geven nieuw. Zij hebben op het land gewerkt, waren zo arm als het maar kan. Naar hun idee is het dragen van een spijkerbroek en een poloshirt van een imitatiemerk zeer gekleed zijn. Wij vertellen ze dat dat hier niet altijd voldoende is.”

Het toch moeizame integratieproces van deze ‘nieuwe’ chinezen binnen de Chinese gemeenschap op Curaçao duurt volgens Shik-Tong een generatie. ,,Het gaat langzamer misschien dan bij andere emigranten maar het gebeurt wel. De kinderen van deze chinezen zitten hier op school en integreren wel. In taal en in gewoonten. Dat integratieproces van deze nieuwe chinezen op Curaçao neemt net als bij de groep waartoe mijn vader behoorde één generatie in beslag. En voor wat betreft het democratisch proces en het gaan denken in een wij-vorm die niet communistisch is gefundeerd, daarin moeten deze Chinezen nog rijpen.”

De pdf van het Antilliaans Dagblad downloaden kan hier: P08 en P10

Domamba

Het woord viel op een verjaardagsfeestje op Caracasbaai. Een stuk of twintig bijna dertigers hadden zich verzameld om met een van hen een nieuw levensjaar in te luiden. Van overal kwamen ze, in letterlijke en figuurlijke zin. Sommigen yu di tera, anderen import van allerlei verschillende wereldlijke samenstellingen. Die yu di tera’s overigens ook. Iedereen had wel een linkje met iets van Curacao en met iets van daarbuiten. Ik stond te praten met een jongen die Karel heet, die een zeer Hollandse achternaam draagt en een even zo Hollandse doopnaam heeft maar die in verste verte niet leek op de eerste Karel die ik in mijn leven tegenkwam en die feitelijk de toon zette voor alle andere Karels.

Deze Karel had werkelijk niks ‘Ot en Sien’-achtigs. Geen blozende bolle wangen, geen rozig gelaat en geen mopsneus. Eerder zag hij eruit als een ‘lean-mean-fighting-machine’. Geen gram vet teveel, ook niet in deze wintertijd, aristocratische trekjes is zijn gezicht en ogen die een ver verwantschap met een Egyptische Farao suggereerden. Zijn vriendin verklaarde zich nader: “Een Domamba…ik bedoel ban serio… dat is wat hij is. Ik heb het net bedacht. Domamaba.”

Domamba… ik liet het woord over mijn tong rollen en liet mijn associaties bij de klanken de vrije loop. Een Afrikaans woord? Een dans? Een zeer geraffineerd exotisch drankje? Nieuw leek het me wel. Ik had er nog nooit van gehoord.

Een ‘google’-search leverde behalve een inline dancing groepje alleen maar achternamen op. Maar verder niks. Geen urban dictionary verklaring… niks. De vriendin van Karel meldde het al. “Het is een nieuw woord, ik heb het net bedacht. Copyright to it is mine.” Aldus moet ik bij deze Linette Maurras creditten voor dit nieuwe woord waar ik dit stukje aan wijd.

En voor wie het weten wil: een Domamba is een Makamba met roots uit Santo Domingo.

Online… in de rij

De Belastingdienst van Curacao is een online offensief begonnen. Dat was al een tijdje bezig en steeds worden er nieuwe mogelijkheden beschikbaar gemaakt. Mutaties, uittreksels, overzichten… je gaat naar www.belastingdienst.cw en drukt met een kopje koffie naast je en de benodigde papieren binnen handbereik op de knoppen en regelt wat je regelen moet. Zo zal dit jaar iedereen online aangifte kunnen doen. Voor het eerst. En ik ben er heel erg blij mee.

Na het aanvragen, volgt het afhalen. De belastingdienst laat je middels een e-mail weten hoe lang iets normaal gesproken duurt en stuurt een bericht wanneer het aangevraagde stuk klaarligt voor je. Fantastisch. Ik moest een inkomensverklaring hebben over 2015 voor mijn studerende zoon in Nederland in verband met het bepalen van zijn lening/ouderlijke bijdrage. De wachttijd was drie werkdagen. Op maandag aangevraagd op donderdag klaar. Een dag na mijn online petitie, kreeg ik een mailtje dat de inkomensverklaring al voor me klaar lag. Ik kon langskomen van 8.00 uur tot 11.30 uur of van 14.00 uur tot 15.30 en me melden bij de snelbalie. Wat een toverwoord… snelbalie. Ik rolde het woord over mijn tong en proefde de belofte die door de voortijdige afhandeling van mijn aanvraag alleen maar beter smaakte. Nog even en ik zou naar de Belastingdienst gaan zonder een greintje pijn, erger nog… met plezier. Ik had een andere afspraak om drie uur en ik besloot vlak voor die tijd het belastingkantoor in te duiken om ‘even snel’ het door mij aangevraagde stuk af te halen.

Instructies over waar die snelbalie was, stonden ook in de mail en dus liep ik naar de eerste verdieping en stuitte op… een lange rij. Het was inmiddels half drie en ik wist uit ervaring dat mensen op dat tijdstip veelal worden weggewerkt -al dan niet onverrichter zake- omdat de dienst anders nooit om 15.30 uur kan sluiten. Maar ik schoof aan want ik had online aangevraagd en me gemeld op de dag dat het moest en ik was binnen de tijd. Een security-guard begon de mensen voor en achter mij te ondervragen over hun bedoelingen. Ze inventariseerde de verschillende vraagstukken van de mensen, stuurde mensen weg naar andere rijen, verzocht mensen te vertrekken omdat ze hun spullen niet op orde hadden en kwam bij mij uit…

“Een inkomensverklaring heb ik nodig.” Ze keek me even aan, zag dat ik verder niks in mijn handen had en zei: “Dan moet u beneden bij de receptioniste een nummertje halen. En als ze die nog heeft dan mag u in de rij gaan staan.” Ik moet er heel verward uitgezien hebben en ik weet dat mijn hoofd direct doorschoot naar het Get-rid-of-the-Red-tape-beleid van Minister van Economische Ontwikkeling Nasr Hakim ten tijde van kabinet Schotte dat het proces van een aanvraag versoepelde maar niet de opstopping die bij de afhandeling ervan ontstond, oploste. De ‘red tape’ werd alleen maar verplaatst naar een ander moment in het proces. Zoiets als een wc die niet verstopt is maar die uitkomt in een beerput die overloopt. “Maar ik heb dit online gedaan,” sputterde ik in mijn verweer. “Online…”, herhaalde de security guard terwijl haar gezicht openscheurde in een glimlach. “Maar dan staat u goed hoor. Dan hoeft u geen nummertje te trekken.” Behalve ‘snelbalie’ bleek ‘online’ ook een toverwoord.

De rij duurde dankzij de bemiddeling van de security guard een kwartiertje. De bewaakster kwam daarbij regelmatig langs de groeiende rij wachtenden om te inventariseren wie wat te doen had bij de Belastingdienst en verwees de mensen uiterst bekwaam naar de voor hen geschikte rij. In haar ‘heen -en weer’-gang langs ons vroeg ik haar of ze zeker wist dat ze alleen maar bij de beveiliging werkte. Een dikke smile was mijn oogst. Vlak voordat ik aan de beurt was, zag ik dat iemand op een bepaald moment aan haar aandacht was ontsnapt. De wegbewijzering, geprint op A4, was aangepast en iemand had van ‘snel’-balie ‘langzaam’-balie gemaakt. Maar die iemand had beslist niet online in de rij gestaan.

NB: In vijftien minuten stond ik buiten. Met aangevraagd papperas. En ik moet eerlijk bekennen dat ik blij was met de rij waar ik in had gestaan. Modernisering is prachtig, efficientie ook, maar het was voor mij de persoonlijke ervaring met deze bewaakster die ervoor zorgde dat ik me mens voelde en wist waar ik was. Op dushi Korsou, gewoon thuis dus. En dat is toch een stuk leuker dan je ergens een nummer voelen.

Engelen onderweg

Aan het einde van de dag…

Op weg de naar ParadiseFM om de column voor Wat een week! voor te lezen, is dit het eerste wat ik zie als ik de parkeerplaats opdraai. Een pick-up met een overvolle bak vol tuinafval. Ik weet dat die auto van journalist Dick Drayer is. Hij zit boven in de studio op me te wachten. En dat moet ie dus even nog wat langer doen omdat ik wil er een foto van wil maken. Want de stem die op dat moment door de ether klinkt is die van een man die de meesten kennen als een bekende Curacaose journalist. Altijd bezig, altijd overal bovenop. Het ontroert me dit plaatje. Omdat Dick aan het einde van dag ook maar een gewoon mens is die zijn tuinafval naar Landfill brengen moet. Foto Dick Drayer