Onverkwikkelijk

2014-03-16-17-47-26_hondkwispelen

The promise…

avondrood kln

Tracy Chapman with The Promise

Toko ku Fe

christoffel 2010 kln

Erna heeft geen haast. Zaterdagochtend. Kom op zeg. Wie er ook nu al voor haar winkel zit, kan wel even wachten. En wachten zullen ze. Dat weet ze zo zeker als het gefluit van de chuchubi in de morgen.

Het zijn de dagen naar de aanloop van de behandeling van de moordzaak Wiels, er is net gisteren een nieuwe aanhouding gedaan en zij is de enige in de omgeving die van kranten wordt voorzien. Het nieuws van Bandariba wordt op Bandabou angstvallig bijgehouden. Of het nu om regenten gaat, moord, doodslag, een nieuwe miss voor ‘god-mag-weten-wat’ of een nieuwe ontwikkeling in het onderwijs. Wat aan de ene kant van de brug wordt beslist, sijpelt uiteindelijk ook door tot het vrije land daarachter. Behalve voor de vissers. Die maken hun eigen dienst wel uit.

Erna loopt vanaf haar huis de winkel in. De achteringang waar ook het brood wordt bezorgd. Een glimp op het verzwaarde hekwerk achter de glaspui bevestigt wat ze daarnet al dacht. Er staan tien klanten te wachten op het moment dat zij de deur van haar toko opendoet. “Bondia yufrou Erna” klinkt het in koor. Het steekt haar vanmorgen. Die zo geheten beleefde verwijzing naar haar ongetrouwd zijn. Ze is nog altijd ‘Yufrou…’ hier achter haar tralietoonbank. Een soort slotzuster is ze, zoals de nonnen in het klooster op Skerpene, maar dan eentje die wel zo nu en dan naar buiten mag.

De mensen die de toko binnen stappen kent ze allemaal. Stuk voor stuk. En hun geschiedenis ook. “Hoe gaat het met yufrou Erna’s moeder?” Nog zo’n opmerking die haar vandaag niet lekker valt. ‘Toko ku fe’ zo noemde haar moeder de nieuw op te richten zaak. Hoe lang geleden? Het voelt als honderd jaar. Honderd jaar waarin er niets veranderd is. En in het ziek-zijn van haar moeder ligt de angstaanjagende belofte besloten dat er de komende honderd jaar ook niets zal veranderen. Belofte? Nee, die weg is al ingeslagen. Het ‘bon dia shon Mimi’ is zonder dat ze er echt acht op geslagen had veranderd in ‘bon dia yufrou Erna’. De volgende honderd jaar zijn al begonnen.

Het hoofd van een ex-minister staart haar aan. ‘Aangehouden in verband met de moord op politicus Helmin Wiels’. Een schreeuwkop. ‘Hier, Yubi. En moet je de kranten van gisteren en eergisteren ook nog hebben? Ik heb je een paar dagen niet gezien.” Ze is begonnen. Handelt af zonder te vragen wie er het langst wacht. Ze weet dat Yubi er om half zeven al was. Er is dan ook niemand die protesteert. Yubi gromt iets en neemt zijn kranten aan. Ook die van gisteren en eergisteren. “Groet je vader voor me” Ze roept het tegen Yubi’s gebogen rug. Een hand gaat de lucht in. Yubi de zwijgzame zal Erna’s groeten overbrengen aan zijn vader die op de kranten wacht. En ook hij zal niets zeggen. Zo is die familie nu eenmaal. “Carlo, wat is het vandaag?” Ze doet een gok. Meestal is Carlo eerder dan Shurendella. “Nee, het is mijn beurt. Heeft yufou Erna een pakje sigaretten voor mij en twee potjes.” Erna schuifelt naar achteren. Gisteren heeft de baby iets met worteltjes gehad. Dat kind moet wel een beetje gevarieerd eten. Haar hand reikt naar een potje met rundvlees. Nee, toch maar de spinazie en een fruithap. Het is de tijd van muggen en daarmee van griep en verkoudheid. Onderweg terug naar de toonbank grijpt ze ook een pakje Richmond. “Je zou moeten stoppen met roken. Dat is niet goed voor je kinderen.” Shurendella lacht een beetje betrapt verlegen. “Mi sa. Mi sa. Pero yufrou Erna mes sa. Het is moeilijk.” Erna laat een tjuri horen. Het smakkende geluid van afkeuring krijgt geen bijval in de toko. Niemand durft. Een dergelijke steunbetuiging kan zomaar ineens in een aanval veranderen. Wanneer Erna haar oog op je laat vallen. Shurendella legt twee tientjes op de toonbank en maakt dat ze wegkomt. “Ik kom straks wel voor het wisselgeld… die kleine heeft honger.”

pan sera (2)Achter Carlo die nu geholpen wordt met kranten en beltegoed staat Paquito. Paquito is groot en heeft groot ontzag voor yufrou Erna. Haar bui is niet zo goed vanochtend en hij heeft brood nodig. Niets in de winkel verraadt dat het brood vanochtend ook bezorgd is. Er valt zelfs geen vleugje van een geur van versgebakken brood te bespeuren. De redding komt van Djaka. “Ey Erna konta? Tin pan fresku kaba?” Erna bevriest heel even. De wachtenden in de toko hebben als vanzelf ruimte gemaakt om de gespierde man die onder de tatoeages zit door te laten lopen tot aan de tralietoonbank. Ze kijkt hem aan over de rand van haar leesbril. “Yufrou Erna voor jou! Denk erom. En zou je niet eens netjes op je beurt wachten? Paquito… Hoeveel broodjes heb je nodig? Daar kwam je toch voor?” Paquito steekt drie vingers op en loopt even later met een papieren zakje dat hij haast niet in zijn handen houden kan naar buiten. Heet. Het brood is nog heet.

Carlo staat inmiddels midden in de toko zijn krant te lezen. Djaka, die eigenlijk Ernesto heet, moet zijn geduld oefenen aangezien hij vakkundig door Erna wordt genegeerd. Hij verdraagt het met een lach. Hij weet wie hier in dit stukje Westpunt de baas is. Carlo moet betalen en heeft alleen honderd gulden bij zich. “Ai dios. Niks kleiners Carlo. Shoot hombu. Ga maar. Betaal die krant maar een andere keer.” En Erna wappert hem weg. Dan is de beurt aan rasta ‘Peace’. Milieuafbreekbare wasverzachter zoekt hij. Dat is een uitdaging. Erna loopt weer naar achteren. Ergens heeft ze iets dergelijks liggen. Ze vindt een groene fles en loopt ermee naar Peace. “Dit of niks.” De rasta draait de fles om en leest het etiket. “Wie volgt?” Djaka steekt zijn vinger op. “Ben je er nog?” De opmerking levert een grijns op. Ze ziet dat hij er drie gouden tanden bij heeft. Hoofdschuddend draait Erna zich om. Het was zo’n leuke jongen. Vroeger. Deed het niet goed op school maar hij kon geweldig tekenen. Een tijdlang was hij weg van Bandabou. Naar Nederland zeiden ze. Anderen fluisterden van drugs en gangs. Djaka’s moeder had er nooit iets over los willen laten en ineens was hij terug. De rest liet zich raden. Erna verdeelt twintig pan sera over twee bruine zakken. Dat is wat Djaka gisteren heeft besteld. Met twee armen vol loopt ze terug.

Dan… consternatie. Djaka grijpt naar zijn achterbroekzak. Iedereen die nog in de toko is springt opzij of vliegt naar buiten. Peace heeft de fles wasverzachter uit zijn handen laten glippen. Erna ziet het gebeuren terwijl ze naar de toonbank loopt. Ze laat de zakken uit haar armen vallen. Twintig pan sera broodjes rollen over de vloer. De portemonnee die Djaka uit zijn broekzak heeft gehaald, is dik. Heel dik en zwaar. Zoals de stilte die nu gevallen is in Toko ku Fe van groot gewicht is. Djaka vertrekt geen spier. Rustig klinkt zijn stem. “Five second rule, yufrou Erna. Five second rule.” Hij wijst op de broodjes op de grond. Erna is weer ‘bij’ en verzamelt wat er op de grond ligt. Djaka neemt de zakken aan. Het geld heeft hij al op de toonbank gelegd. Twee briefjes en wat losgeld. “Felis dia” en weg is hij.

Erna staat het lege voorportaal van haar toko te dweilen. De wasverzachter die Peace uit zijn handen heeft laten vallen, geurt na in de winkel. Ze mopt de plakkerige zeep van haar vloer. Wanneer ze de mop uit de emmer halt en wil uitknijpen valt haar blik valt op het geld dat Djaka op de toonbank heeft achtergelaten. Er steekt een kaartje onderuit. Ze pakt het op en zet haar leesbril goed. ‘Ernesto Fontiles, tattoo artist and piercing expert’ staat erop.

Voor de niet-Papiamentstaligen: Toko ku Fe betekent vrij vertaald Toko met vertrouwen

 

 

 

Ana Maria Concalves de Sousa

rechtvoor otrobanda (2)Het bezoek aan Kranshi is over in een vloek en een zucht. Ana Maria Concalves de Sousa loopt vijftien minuten nadat ze een nummertje trok met haar verzoek voor een nieuw paspoort naar buiten. Vijftien minuten, ze kan het niet geloven. Nummer 922 kwam uit een onbegrijpelijk apparaat. Een vierkante doos met een spugende gleuf. ‘Er zijn twee mensen voor u’ las ze op het papiertje dat haar in de hand werd gedrukt door een strengvriendelijke baliemedewerker. Voorbereid was ze het bevolkingsregister komen bezoeken.  Klaar om minimaal een uur in de wachtkamer door te brengen. Boek mee, een stiekeme club social in een plastic zakje -om kruimels in haar tas te voorkomen en een pakje appelsap. Klein en compact. Met zo’n rietje in plastic erop geplakt. Ze ging zitten tussen de andere bezoekers. Het zou haar tijd wel duren. Ze was niet anders gewend.

Rode cijfers lichtten op in een zwarte balk. Ze correspondeerden met de nummers op het kaartje in iemands hand. Dat had ze zich door haar buurvrouw laten vertellen. “Dona Ana Maria, dan moet je wel blijven opletten. Want als je nummer voorbij is…” Van wie zou het zijn? Dat felle nummer op het bord. Ze keek om zich heen. De kudde binnen leek op een troep ‘Ja-knikkers’. Iedereen keek op, slechts eentje had geluk, de rest liet het hoofd weer zakken. Wat is er eigenlijk gebeurd met het omroepen van je nummer of naam? Even dacht ze dat ze haar vraag hardop had uitgesproken. Dat was toen ze de bewaker hoorde.

De bewaker in de zaal wees niet alleen op het flikkerende billboard maar riep ook het winnende lot naar de wachtende mensen. Un bon yu di Korsou, constateerde ze tevreden. Eentje die werkt met wat er is en die dat combineert met wat er was. Het zou haar niet verbazen wanneer het omroepen niet meer in zijn functieomschrijving stond en toch nog steeds het meest belangrijke onderdeel van zijn baan was. Dienstverlening naar behoefte. Of die nu voortkwam vanuit de onwil om los te laten wat eens was of vanuit de ervaring van de praktijk die allang had bewezen dat er bij nieuwe procedures een overgangsperiode ingelast dient te worden. Wat ook nog kan, bedacht ze, is de weerzin reserve schoenen weg te gooien ookal heb je al nieuwe. Stel dat Kodela, of nee Aqualectra want zo heet het nutsbedrijf tegenwoordig, een oprisping heeft en het nieuwe systeem lamlegt, dan moet Kranshi toch gewoon door kunnen draaien… met jawel het oude system ofwel: de omroeper.

Nummer 922 verscheen op het bord en de bewaker liet weten op gepaste wijze weten wiens beurt het was. Ze stond op, wist wat ze moest doen. En dan staat ze buiten  In vijftien minuten. Met het pakje appelsap in haar hand. Het komt uit de voorraad die haar schoondochter regelmatig bij haar neerzet. De kleinkinderen nemen die pakjes mee naar school. Het leek haar handig om er eentje mee te nemen op de expeditie van vandaag. Maar wat een gepiel om dat rietje door het met folie afgeschermde prikgat te krijgen, dat is wanneer je het al voor elkaar kreeg het rietje uit zijn plastic hoesje te krijgen. “Wela, wela, kijk. Deze kant heeft een scherpe punt”. In zoverre is ze voorgelicht. Gedecideerd drukt ze het rietje met de juiste kant door het gat. De eerste slok gutst over haar hand. “Niet in het pakje knijpen als je drukt, wela. Je moet er niet in knijpen”. Die tweede aanwijzing krijgt nu voor het eerst een echte betekenis. Ach wat, er is hier niemand die haar kent en al slurpend en likkend loopt Ana Maria Concalves de Sousa de Breedestraat in. Ze heeft een uurtje over dat ze wil benutten met een bezoekje aan het koopjesgedeelte van de binnenstad.

otrobanda (2) Ze drinkt, slurpt en slentert. De winkels van Otrobanda geuren naar wierrook op dit uur. Hindoestaanse handelaren hebben aan hun middaggebed voldaan. Ze loopt langs etalages. Het aanbod is groot en gelijk. Het volledige assortiment ligt erin uitgestald. ‘What you see is what you can get’ Een exemplaar van alles. Marktkramen zijn het met een eenduidig inkoopbeleid. Het kost haar dan ook enige moeite voordat ze de winkel gevonden heeft die ze zoekt. Drie keer loopt ze mis. Nee, deze is het ook niet. Vlakbij het viaduct doet ze een vierde poging en een sterk beroep op haar geheugen. De winkel had een grote schoenencollectie achterin. Ja. De lange toonbank langs de rechterkant herkent ze. Een snelle blik werpt ze naar binnen. Er is ook een achterin in deze winkel. Ja, hier is het. Hier moet ze zijn.

Ana Maria Concalves de Sousa schuifelt tussen aangeklede paspoppen, drukdoende winkelmeisjes en overvolle rekken naar de achterkant van het pand. Vier rijen dik. De afdeling schoenen. En iemand die er in de clubkleuren van het bedrijf zelf schoenen staat te passen. Ze loopt langs de eerste rij met de bedoeling ze al slalommend allemaal langs te gaan. De schoenen staan bovenop de rekken uitgestald. Van elk exemplaar een. Daaronder genummerde blinde dozen. De nummers corresponderen met de nummers in de schoen. Geen omroepers hier. Haar oog valt op een comfortabele stapper die er elegant uitzien. Ze heeft helemaal geen schoenen nodig maar deze heeft schwung. Ze loert naar het nummer. Nu de daarbijbehorende doos nog.

Ana Maria Concalves de Sousa loopt het hele rek af maar kan de doos die ze zoekt niet vinden. Het schoenenmeisje heeft al die tijd nog niet op of om gekeken. Te druk met haar eigen beslommeringen. Er staan al zeker tien dozen om haar heen. Wanneer ze toch een poging waagt om haar hulp in te roepen, reageert het meisje al voordat de vraag van haar lippen glijdt. “Ki senora ta pensa. Deze of die?” Twee geschoeide voeten worden naar haar uitgestoken. Een is gevat in een sleehak met zeer dunne bandjes, de ander zit geperst in een stiletto met glitterstenen. Allebei zwart. De blik op het gezicht nadert de wanhoop. “Waar heb je ze voor nodig?” vraagt Ana Maria Concalves de Sousa. “Mi kasamentu. Anto mi no por disidi”. Het schoenenmeisje is al bezig dat wat ze aan heeft gedaan uit te trekken en grijpt naar een volgende exemplaar. Het “Rustig, rustig. Ik help je wel. Sinta numa” ontsnapt haar voordat ze er erg in heeft. En niet veel later loopt ze heen en weer tussen de schoenen en zoekt ze naar dozen met corresponderende nummers. Net zolang totdat ze de juiste schoenen voor de bruiloft heeft gevonden. Verguld staat het winkelmeisje voor de spiegel te draaien op de hakken waarmee ze haar grote stap zetten zal. Het is noch de sleehak, noch het paar stiletto’s geworden. Het zijn de schwungschoenen die Ana Maria Concalves de Sousa uiteindelijk toch vond.

 

 

Balloon-a-licious

Een tijdje keerde ik het carnaval de rug toe. Om precies te zijn vanaf 2011. De economische malaise deed pijn aan mijn ogen en was zichtbaar in de afwerking van de outfits van de carnavalsgroepen. Het was ook het laatste jaar zonder dranghekken, als ik het goed heb. Carnaval 2011 deed pijn omdat er feest werd gevierd waar geen reden voor een feestje leek. Een jaar nadat we een eigen land waren geworden was de hoop en de trots vervangen door een haast tastbare teleurstelling. ‘Het is allemaal een beetje minder’ schreef ik in mijn stuk voor de krant hierover. En ik weet dat het waar was. Ik had daar een tijdje voor nodig om daarvan te herstellen

Het duurde drie jaar voordat ik me weer in het carnavalsgedruis waagde. Anno 2014 dacht ik… ach laat ik maar weer eens gaan kijken hoe we ervoor staan. Ik ben blij dat ik gegaan ben.

Hoewel degenen die sponsoren voor mij voor het eerst meer dan prominent aanwezig waren, inclusief verschillende nieuwe modellen van Auto-city in de kop van de optocht, was het een feest aan kleur en mooie outfits. Prachtige stoffen, afgewerkte kostuum en veel, heel veel mooie details.
Mijn absolute favoriet was de ballonnengroep die er wat creativiteit betreft voor mij uitsprong.Vindingrijk en verrassend. Een lust voor het oog en met zulk een simpel materiaal gemaakt. De ballonnen zelf deinden mee op de muziek en versterkten de oufits in de bewegingen. Maar het was niet de enige groep die zich de moeite had getroost om met iets moois voor de dag te komen. Er waren er velen.

Heerlijk was het om te zien dat mensen er weer zin in hebben om er iets speciaals van te maken. Het deed me goed, ik heb ervan genoten. De dip van 2011 lijkt tot het verleden te behoren. Dat geeft de burger moed en mij een ‘smile’ in mijn hart.

Wens

Ik wilde gisteren heel graag weer even een Monarch zien. De oranje vlinder is vaak om me heen en altijd komt zij op de proppen wanneer ik erom vraag. Dat wil zeggen: ik spreek de wens uit en zodra ik gestopt ben met de lucht afzoeken naar haar verschijning, laat ze zich zien. Zo gaat het: wensen, loslaten en voila daar is het. Niet altijd meteen. Soms zitten er zelfs een paar dagen tussen. Maar zich laten zien, doet ze altijd.

De Monarch is speciaal voor mij. Ze staat voor mijn gevoel, is mijn hart, mijn richtingaanwijzer en mijn verbinding met wie ik ben.  Steevast laat ze zich aan me zien wanneer ik (denk dat ik) het nodig heb. Een steuntje in de rug,  een knipoog zomaar, een bevestiging dat ik op de goede weg ben of zomaar om het geluksgevoel in mij voor een paar seconden naar de voorgrond te halen. Zo heb ik deze vlinder in mijn leven mogen ontvangen, of misschien is het eerder andersom zo gekomen. Hoe dan ook, ik wenste haar te zien gisteren. En al langer loop ik rond met de wens om er een heleboel bij elkaar te zien. Wensen, loslaten en toen gebeurde gisteren dit:

Ik zat tegen de steenwand tegenover de moskee naar het carnaval te kijken. Vanuit mijn ooghoek zag ik iets bewegen dat op deze vlinder leek. Ik keek, liet los en ‘viel’ vervolgens in een ware lawine van de oranje hartsvlinder. De zwerm aan Monarchs die daar op straat liep, heeft me diep ontroerd. Mijn lach kon niet breder en mijn tranen niet natter.

 

 

De muze Curacao

Zoals verschenen in de Napa van 15 februari 2014. Foto’s van Ken Wong

Kunsthistorica Jennifer Smit over kunst van eigen bodem: “Of je haar nu haat, liefhebt, minacht, adoreert, veracht of bemint, het gaat altijd om wat dit land met je doet. Dat is de gemene deler van het werk van onze kunstenaars. Alles draait om Curaçao. En het allermooiste vind ik dat die ervaring steeds in beweging is. Niet alleen bij onze eigen kunstenaars maar ook bij passanten die door dit land geraakt worden. En ze doen er allemaal het hunne mee, afgezet tegen eigen ervaringen, de schoonheid van het land, de sociale omstandigheden, de culturele achtergronden en ja, ook hun herkomst. Het is een constant zoeken en vormgeven van een identiteit die geen absolute is. Sterker nog zij is vloeibaar en daarmee steeds opnieuw aan verandering onderheving. In goede en in slechte zin.”

Download het hele interview Jennifer smit 2 Jennifer smit 1 

 

Canadese humor

Kijk, dat noem ik nou ‘zelfreflectie’. Ik hou van Toronto… steeds meer!

Charlie

When I started loving myself” – A poem by Charlie Chaplin written on his 70th  birthday on April 16, 1959:

When I started loving myself I  understood that I’m always and at any given opportunity in the right place  at the right time. And I understood that all that happens is right – from  then on I could be calm. Today I know: It’s called TRUST.

When I  started to love myself I understood how much it can offend somebody When I  tried to force my desires on this person, even though I knew the time is not  right and the person was not ready for it, and even though this person was  me. Today I know: It’s called LETTING GO

When I started loving  myself I could recognize that emotional pain and grief are just warnings  for me to not live against my own truth. Today I know: It’s called  AUTHENTICALLY BEING.

When I started loving myself I  stopped longing  for another life and could see that everything around me was a request to  grow. Today I know: It’s called MATURITY.

When I started loving  myself I stopped depriving myself of my free time and  stopped sketching  further magnificent projects for the future. Today I only do what’s fun and  joy for me, what I love and what makes my heart laugh, in my own way and  in my tempo. Today I know: it’s called HONESTY.

When I started  loving myself I escaped from all what wasn’t healthy for me, from  dishes, people, things, situations and from everyhting pulling me down and  away from myself. In the beginning I called it the “healthy egoism”, but  today I know: it’s called SELF-LOVE.

When I started loving myself I  stopped wanting to be always right thus I’ve been less wrong. Today I’ve  recognized: it’s called HUMBLENESS.
When I started loving myself I  refused to live further in the past and  worry about my future. Now I  live only at this moment where EVERYTHING takes place, like this I live  every day and I call it CONSCIOUSNESS.

When I started loving myself I recognized, that my thinking can make me miserable and sick. When I  requested for my heart forces, my mind got an important partner. Today I  call this connection  HEART WISDOM.

We do not need to fear further  discussions, conflicts and problems with ourselves and others since even  stars sometimes bang on each other and create new worlds. Today I know:  THIS IS LIFE!

Thanks for the ‘share’ to Richard Isa.

Original source: Citehr

Sixteen going on…

‘Vanuit de verste uithoeken in mijn hart zoek ik naar de verlichting voor mijn verstand en mijn ziel.

Om te zijn waar de vergetelheid huist die het echte geluk brengt

Geluk dat mijn bewustzijn ontsteekt, zoals een lotusbloem zich opent middenin de lente.”

 

Van Jesse, zestien jaar. En ik mag me zijn moeder noemen.