Huiswerk van mijn coach

Nee, ‘bloemen plukken’ is niet de opdracht die ik gekregen heb van mijn coach Annette de Vries, hoewel… in overdrachtelijke zin zou je het uiteindelijk zo kunnen bekijken. Wanneer ik van het boek waar deze filmscene uitkomt geleerd heb wat ik ervan leren kan. Mijn opdracht is dat ik ‘Atonement’ van Ian McEwan moet lezen. ‘Bij voorkeur in het Engels en let goed op de stijl waarin dit boek geschreven is. Daarover wil ik met je van gedachten wisselen.’ Dat zei ze en zodoende ben ik op zoek gegaan naar de papieren versie van dit verhaal, De film had ik al gezien.

Een vriend van me, Albert, had het. Na wat heen en weer ge-afspreek kreeg ik het in handen. In het Engels en ik kon aan mijn huiswerk beginnen. De bovenstaande scene ben ik nog niet zolang geleden voorbij gegaan. En nu al voel en lees ik van alles in dit boek. En zonder een oordeel te willen of kunnen vellen ontdek ik eye-openers in dit boek. Om te beginnen zet deze schrijver me op het verkeerde been. In zijn beschrijvingen van de belangrijkste hoofdpersonen is hij meedogenloos. Je kunt dwars door zijn woorden heen lezen wat hij lelijk aan hen vindt. Hij laat dat niet aan de lezer over, nee hoor hij bepaalt. Het effect ervan op mij is echter precies het tegenovergestelde: het levert symphatie voor hen op.  En aldus is mijn belangstelling zeer alert. Ik ben benieuwd wat ik nog meer ontdek. Wordt vervolgd zullen we dus maar zeggen…

 

Weer aan de slag

Na een min of meer ‘verplichte’ pauze ga ik weer aan de slag met mijn roman. Of met versie III, zo zou ik het ook misschien beter kunnen zeggen. Voor wie het vergeten is, het is namelijk alweer een tijdje geleden, ik heb een coach toegewezen gekregen van het Nederlandse Letterenonds om dit boek (af) te maken. Annette de Vries heet ze en ik mag met haar nogmaals de diepte in om tot een goed en mooi eindpunt te komen.

Onderweg, en die reis duurt al een poosje, ben ik mezelf al heel vaak tegengekomen.  Een stukje van de reis, het laatste stuk dacht ik, legde ik vorig jaar alleen af. Zonder Annette omdat ik dacht dat ik dat kon. Ik schreef Blauwe Tomaten af en stuurde het manuscript in. Naar zowel mijn uitgever IndeKnipscheer als naar het Nederlandse Letterenfonds. Het Fonds legde het vervolgens bij drie experts neer en de uitgever die enthousiast was wilde, zeer wijselijk, het oordeel van de experts afwachten maar gaf al aan het uit te willen geven. Dat oordeel kwam in de laatste week van december van het afgelopen jaar.

‘It needs work’. Dat was het unanieme oordeel en ik vrees dat ik met mijn ‘eigenwijze’ uitstapje de factor tijd geweld aan heb gedaan en er feitelijk voor gekozen heb een omweg te maken om terug te komen op een punt waarvan ik ergens wel voelde dat ik daar opnieuw zou belanden. Ik kreeg een beetje op m’n donder van het Fonds. ‘Not amused’ waren ze daar en ik denk dat mijn coach ook achter haar oren heeft moeten krabben voordat ze me ‘opnieuw’ in haar armen sluiten wilde. Een beetje een domper was het allemaal wel, vooral omdat ik geen kwaad in de zin had gehad en ik daarom ook wat uit het veld geslagen was over de reacties op het resultaat van mijn ‘one-woman’-actie.

Tegelijkertijd aarzelde ik ook niet toen het Fonds me voorstelde opnieuw met Annette in zee te gaan. ‘Ik wil een goed boek maken en als dit de weg is dan bewandel ik die’, antwoordde ik.  Voor wat betreft mijn coach dacht ik eerlijkheidshalve wel: ‘Als ze me nog wil’.  In die vijf minuten dat het gesprek met het nederlandse Letterenfonds duurde realiseerde ik twee dingen: Ja, ik was eigenwijs geweest en ja, ik heb sommige adviezen naast me neer gelegd. Misschien me zelfs laten leiden door de geur van het bereiken van een eindstation. En dat gevoel van ‘te kort door de bocht’ heeft me nooit helemaal verlaten, als ik heel eerlijk ben. De andere realisatie die ik had betrof communicatie. Hoe je iets zegt, het antwoord dat je krijgt en de reactie daarop. Ik heb niet alle communicatie zo gelezen als zij bedoeld was en ik weet haast zeker dat mijn manier van communiceren ook tot ruis heeft geleid. Misschien zelfs tot ergernis. Het is ook niet gemakkelijk om je eigen werk kritisch te blijven bekijken, de kritiek van een coach tot je te nemen en vanuit al die kritiek weg te filteren wat je persoonlijk raakt en wat echt bedoeld is om je in je schrijversschap te laten groeien. Eigenlijk hoorde ik dwars door deze cocktail heen maar een ding: deze mensen zien zitten wat ik aan het doen ben en willen niets anders dan me naar een hoger niveau pushen.

En aldus besloot ik ter plekke, nog aan de telefoon, om geen tijd te verliezen. ‘Nee, ik hoef hier niet over na te denken. Ik ga dit aan.’ Ik weet dat er iemand in Nederland heeft moeten goochelen met budgetcijfers om dit mogelijk te maken. Ik weet ook dat hij dat doet omdat hij ergens in gelooft. Hetzelfde geldt voor mijn coach Annette, de me opnieuw ‘aannam’ (gelukkig). Het is niet af dit proces. Dat besef ik nu. En aldus ben ik weer begonnen. Opnieuw. Om een goed boek te schrijven en om te groeien in mijn schrijversschap. Wish me luck!

 

 

 

Estafetteverhaal

Een initiatief voor schrijfdebutanten in de Nederlandse taal: deelname aan het schrijven van een feuilleton. Te volgen op Estafetteverhaal

Dit deel van het estafetteverhaal is geschreven door Elodie Heloise.
Elodie Heloise debuteerde dit jaar met de verhalenbundel ‘Woestijnzand’, uitgegeven door uitgeverij IndeKnipscheer.

Het is fris hier. Niet dat ik het koud heb ofzo. Kou doet me niets. Al een tijdje niet meer. Niet van de buitenkant bedoel ik dan. Ijs, sneeuw, wind, regen… kom maar op. Ik ben immuun. Totaal en compleet immuun voor zoiets futiels als de grillen van het weer. Dat soort impulsen doen me niks. Nee, wat ik voel is van een andere orde. De rillingen die ik ervaar komen van binnenuit. Stuiptrekkingen zijn het. Van een afstervend hart. Mijn hart. Waarvan ik de bodem van de liefde leeglik, schrapend nog een restje warmte vindt, dat ik koester als de laatste druppel water in de thermosfles van een woestijnganger, half beseffend wat er komt als het echt op is. Daar ben ik. Balancerend. Op het randje met die laatste druppel nog op mijn tong. En in dit laatste stuk dat ik weet dat ik nog leef mag ik de ellende beleven waarin ze me heeft gestort. Seconde voor seconde, wegtikkend zonder nut. Met alleen mijn gedachten bij me. Ik kan nog niet geloven wat ze me geflikt heeft. Ik heb alles gezien, en meebeleefd. Ik heb haar man zien wegglijden. En haar kinderen van haar zien vervreemden. Ik heb ze zien vertrekken omdat zij haar carriëre belangrijker vindt. Shht, want dit is nog een geheim. Officieel zijn ze op een lange vakantie. Zonder haar omdat zij moest werken. Maar ze komen niet terug. Echt niet. Niet bij haar. Alles is al weggehaald. Van een van de lege kamers maakte ze een kattenpaleis, haar idee ervan dan. Niet het mijne. Ik ben liever gewoon buiten. En daar was ik dan ook wanneer hij smste met ene Renske. Steeds vaker en steeds meer. Ik was er ook toen hij met Renske naar bed ging. In Vivians bed, ons bed, terwijl ze op werkbezoek was. De schoft. Hij trapte me weg van mijn plek. Het protest daarop heb ik heus wel duidelijk gemaakt. Geblazen heb ik. Mijn rug naar hen toegekeerd. En ik ben buiten gaan zitten. Alleen al om de lucht die om die Renske heenhangt. Te pregnant, te kunstmatig. Alsof ze in haar geheel uit de een of andere fabriek komt. Nee, geef mij Vivian maar. Vivian ruikt echt. Vivian… mijn Vivian. Hoe kon ze? Hoe kon ze niet doorhebben dat ik er nog was. Gespuugt heb ik en haar ondergezeken. Dat moet toch aandacht trekken. Maar nee hoor… die krantenkoppen waren belangrijker. Ze lette niet op. Niet op mij dan. Ik wilde schreeuwen, haar arm openkrabben. Maar ik kon me niet bewegen. En wat doet ze…? Ze maakt een gat in de tuin en pleurt me daarin. Zand erover. Klaar. Vivian, oh Vivian, ik mis je handen. Je kroelende handen. Soms met je gedachten erbij, vaak half met je hoofd ergens anders. Een hand op mij, even, en dan verder op de toetsen van de telefoon, de laptop of bladerend door weet ik wat voor dossier. We hadden het goed met z’n tweetjes. Samen. Jij en ik. Samen is voorbij, ik weet het. Tot dat besef ben ik nu wel gekomen. Ik heb me erbij neergelegd dat ik hier nooit meer uitkom. Wat die witjas in me heeft gespoten kan ik niet meer tegenwerken. En ik ben moe van het proberen, ben er aan toe mijn laatste druppel door te slikken. Het enige is dat ik me zorgen maak. Om Vivian. Ik probeer haar al drie dagen te bereiken. Dat is het laatste dat me nog tegenhoudt voordat ik kan gaan. Ik moet haar waarschuwen. Voor die vreemde wagen die steeds midden in de nacht voor haar huis stopt.

Shrinivasi

Shrinivási of Shrini, zoals ik hem mag noemen, woont al een poosje weer op Curaçao. Het land dat hem niet vreemd is aangezien hij er jaren woonde en als leerkracht werkte. En zoals velen uit deze regio doen, heeft hij in verschillende delen van het koninkrijk geleefd. Nederland, Curacao en natuurlijk zijn geliefde Suriname.
Ik leerde Shrini kennen tijdens de eerste editie van de Literaire Tippelzone. Ergens in 2008, geloof ik, dat het was. We maakten met een paar auteurs Pietermaai Smal onveilig door er in een steeg gedichten, verhalen en korte literaire voorstellingen op voorbijgangers af te vuren. Shrini was er ook en ik ontmoette een man die eruit zag zoals ik me altijd had voorgesteld dat een echte dichter er uit zou zien.
Een bedaarde oudere man met een alpinopetje op. Een grijs baardje, een zeer bedachtzame wijze van spreken in prachtig Nederlands. Broos en lief met onder die romantisch dichterlijke oogopslag een messcherp observatievermogen. Ik viel als een blok voor hem. En ik denk hij ook voor mij.
In Shrini trof ik een rijpe rijkdom aan woorden en kleur. De wereld liet hij me op een nieuwe manier proeven. Subtiele cultuurmelanges, krachtig weergegeven, hun schoonheid pakkend. ‘To the point, that is the point.’ Suriname, Nederland, Curacao en ja zelfs India samengebracht in de oneindige bron van observaties die Shrini is.
En ik ben bevoorrecht, ik heb hem van heel dichtbij aan het werk mogen zien, heb naast hem gezeten, aanvankelijk alleen maar om zijn woorden van de bundel Hecht&Sterk aan het digitale tijdperk toe te vertrouwen. En ik was niet alleen bevoorrecht door de woorden die van andere tijdperken en talen naar me toestroomden. Nee er was meer. Shrini leerde me de waarde van een enkel woord en hoe het een gedicht maken of verpesten kan. Hij liet me betekenis zien van geduldig zijn, van erop vertrouwen dat als het juiste woord er nu nog niet was, het zich als vanzelf wel aandienen zou. ‘Rijpen, gedichten moeten rijpen en op het juiste moment worden geplukt, net als de mango. Hoewel je die ook groen kunt eten, maar dan wordt het een ander gerecht’ Ik leerde nog kritischer kijken en beargumenteren waarom iets wel of niet beter was. In de wereld van Shrini is het rijk toeven, voor een beginnend schrijver zoals ik.
Het geheim van de nuance heeft hij me laten zien. De nuance die scherpe kantjes doet vervagen, die het oordelen voorbij gaat tot alles wat er in de kern niet toe doet is weggevijld en er een steeds zuiverder vorm overblijft. Als het zou kunnen, zou ik bijna zeggen dat Shrini me met het delen van zijn ervaring en wijsheid een flink aantal jaren heeft laten overslaan. En een absoluut feest was het voor mij wanneer ik, heel soms en af en toe, een inzicht naar Shrini brengen kon dat hij bruikbaar vond.
Ik ben dan ook heel blij zijn nieuwste bundel ‘Hecht en Sterk’ nu in druk te zien. Voor mij meer dan een boek met gedichten. Voor mij staat dit boek voor de ervaring Shrini die ik beleven mocht.
Hecht en Sterk is hier. En ik heb me pas onlangs beseft hoe passend deze titel is wanneer ik denk aan wat het ontstaan van deze bundel met ons heeft gedaan. Zoals wij in een betrekkelijk korte tijd tot elkaar verweven zijn geraakt in een liefdevolle vriendschap. Hecht en Sterk zijn nu ook Shrini en ik.
Namaste Shrini, namaste. Ik groet het licht in jou.

Prinsesa Maron

Verrukkelijk blijde geur
van vers hout
opgelicht door de wind
en dat vanwege een cirkelzaag
tandenknarsend
op hoge toon
in copiehout uit Suriname
zijn prelude inluidend
bij de aanbouw van een loopbrug
door East Indians
versterkt met yu Kòrsou
aan het Waaigat
in Punda;

de welkome geur
uit binnenlands hout
van mijn Sranan
voor de maidentrip
typical caribbean van stijl
tezamen uitgevoerd
met materiaal uit
meerdere continenten
en broederlijk met copie
hout ook
uit het hoge noorden van Europa

Ze staat er
bruine prinses
dromend
vol verwachting
op de ignition
startsein
tot
nieuw leven

2009 © Shrinivási

 

 

 

Shrinivási

(Suriname, 1926) wordt wel de ‘dichter van de ontmoeting’ genoemd, omdat hij in zijn werk culturen en mensen samenbrengt. De als Martinus Haridat Lutchman geboren onderwijzer verdiepte zich al jong in zijn Indiase roots. Hij was de eerste dichter die schreef in het Sarnami, de moedertaal van de Hindoestanen in Suriname en Nederland. Hij publiceerde ook enkele gedichten in het Hindi, maar het merendeel van zijn werk is in het Nederlands. Zijn eerste gedichten verschenen in 1952 onder de naam Fernando, maar later koos hij voor de Hindi-naam voor ‘bewoner van Suriname’: Shrinivási. De dichter bezingt in zijn gedichten de multiculturele inwoners, het klimaat en de natuur van zijn vaderland. Sinds zijn debuut Pratiksha (1968) publiceerde Shrinivási diverse poëziebundels en verhalen die opvallen door hun kwaliteit en muzikale en metaforische taalgebruik. Ook werkte hij mee aan diverse bloemlezingen van de Surinaamse literatuur waaronder Diversity is power (2007). Geert Koefoed maakte in 1984 een grote bloemlezing uit het werk van Shrinivási: Een weinig van het andere. In 2007 verhuisde hij terug naar Curaçao waar hij jarenlang werkte als onderwijzer. Shrinivási, nu bijna 86 schrijft nog steeds gedichten. Eind 2012, rond zijn verjaardag op 12 december, is zijn nieuwste bundel ‘Hecht en Sterk’ uitgekomen bij uitgeverij IndeKnipscheer.

Terug in het gareel

En dan, na alle feestelijkheden, vind ik mezelf terug op bekend terrein. Een beetje onwennig ookal weet ik heel goed waar ik ben. Ik ben daar waar mijn vingers beginnen te jeuken omdat er een verhaal in mijn hart zit dat ik opschrijven wil. Ik ben er alleen ‘even uit’.  Zit niet in de discipline van een dagelijkse productie van verhalende letters. Achter me ligt een boek dat nu een afgerond geheel is. Geschreven, gedrukt, gedeeld en gevierd. De emoties ervan hangen nog als lichte sluierbewolking om mij heen. Het duurt niet lang meer, weet ik. Het zal opklaren, heel binnenkort. En dan begint het weer.  Het spreken van mijn hart.

PS: Er is me al ingefluisterd welk verhaal ik het eerst weer op zal pakken. Hieronder een stukje…

 

“Sir Railyson Germaykil Blobleu.

Shushu ging op haar gat zitten en mekkerde. Ze mekkerde voor het eerst in haar leven. Af en toe keek ze achterom, maar het hek van de koraal was en bleef gesloten. Shushu probeerde allerlei soorten gemekker. Verontwaardigde hoge tonen, een hartverscheurende klaagzang, een woedende lithanie en uiteindelijk snikkend met tussenpozen want ze had er de hik van gekregen. Maar wat ze ook deed, het hek bleef dicht. ‘Kan ik iets voor je doen?’. Een vriendelijke stem klonk. Shushu keek om zich heen, op zoek naar de oorsprong ervan.  ‘Hier, bij je voorpoten.’ Shushu ontdekte een blauwe hagedis met een halve staart. Hij zat erop en keek haar met belangstelling aan. ‘Aangenaam, de naam is Sir Railyson Germaykil Blobleu’. Shushu hield op met snikken. Nieuwsgierig nam ze de parmantige blauwe hagedissenheer op. ‘Shu -hik- shu,’ zei ze verlegen.  ‘Het is mij een waar genoegen, juffrouw Shu-hik-shu,’ antwoordde de hagedis. Hij sprong van zijn staart af en maakte een buiging.  ‘Nee, het is Shushu -hik- ,’ hikte Shushu.  ‘Oh, pardon, aangenaam dan juffrouw Shushu Hik’. De blauwe hagedis boog nu heel diep om zich te verontschuldigen voor zijn fout. Shushu zuchtte. Ze was verdrietig, triest en alweer helemaal in beslag genomen door het ongeluk dat haar was overkomen. Ze had de behoefte niet, de zin niet en de energie niet om de hagedis nog eens te corrigeren. Nieuwe tranen welden op.  ‘Waarom huil je?’, vroeg Sir Railyson Germaykil Blobleu terwijl hij opzij sprong om de regen te ontwijken. Shushu snikte, hikte, snotterde en stotterde.  ‘I…k –hik-mag er n..n..niet meer in –hik- en mijn m..m..moeder is –hik- dood.’ De hagedis laste een gepaste stilte in, ging weer op zijn staart gaan zitten en staarde naar de grond. Zo bleven ze een tijdje zitten. Shushu huilde en Sir Railyson Germaykil Blobleu zat naast haar op zijn halve staart. ”

Uit: Shushu (Work in progress)

Woestijnzand gedoopt


Sign: Julian de Aldrey

Playa Kanoa zag vele creatieve geesten op zaterdag 10-11-12. Woestijnzand werd officieel op eigen grond gepresenteerd en dat deden we op de Noordkant. In niemandsland, in allesland, in iedereenland. In het land van Janchi en Eleonora met op de achtergrond die derde hoofdrolspeler uit het verhaal Schelpenvlees dat in de bundel staat: de blauwe dame oftwel de zee.

Roland Colastica en Laura Quast namen ons mee in het verhaal. Intens, prachtig, hard, zacht… ik zat op het puntje van mijn stoel en ik vroeg me af: Heb ik dat geschreven? En meer nog om deze twee beroepscreativelingen die ik heel dicht onder mijn hart met me meedraag dit te zien doen. Werken met elkaars werk… en eraan toevoegen, het naar een hogere dimensie tillen door er een stuk van henzelf in te leggen. Wat een connectie bracht dat teweeg. Met ons allemaal die er waren.

Jeroen heuvel was er en ook hij voegde toe. Samen met Jelleke en Rianne. Aan de orde de’persoon’van waaruit een schrijver schrijft. Mijn proloog ‘Gesprek, gevonden op straat’ werd gebracht door twee vrouwen. Ik schreef hetvanuit het perspectief van een man en verplaatste me vanuit mijn vrouwelijke genen in de in de huid van niet een maar twee mannen. Een neger en een makamba. Met elkaar in gesprek over de kleur van diezelfde huid. Uitgevoerd door twee vrouwen die hetzelfde deden als ik, namelijk in de huid van een man kruipen, liet deze dialoog zien hoe ‘anders’ dat kan zijn en vooral ook hoeveel concepten wij in ons hoofd bewaren ten aanzien van wat nu mannelijk is en wat niet. Of vrouwelijk. De manier waarop Rianne, Jelleke en Jeroen dit stuk brachten brak door de grenzen van de kaders in mijn hoofd. En brachten me het besef opnieuw en opnieuw hoeveel creatieve ruimte er is om in te bewegen en daarmee te groeien.

Een gegeven dat ook door, met en in Lisa Dindial naar voren kwam. Lisa, die de presentatie aan elkaar vlocht en dat deed alsof ze met een microfoon in haar hand geboren is. Grappend, grollend en steken onderwater uitdelend. Ik keek naar haar, ex-gezaghebber en directeur van de Chata, en ik voelde het verhalend talent dat in haar ligt.  Ex-minister Hensley Koeiman van de MAN was ook onder ons. Lisa nam direct de praktijk van alledag mee in haar presentatie. Improvisatie a la minute met het slopende informatieproces dat nog niet tot een regering heeft geleid bij ons als insteek. ,,U zit lekker daar he, in het midden. Of zit u toch iets meer naar rechts? Of is het links misschien.” In mij borrelde een stoute gedachte op. Ik zag Lisa op de buhne staan… helemaal los met stand-up comedy of een one-womanshow.  So much room to grow.

Een gegeven dat ook door mijn oudste Jesse en zijn ‘brother from another mother’ Kevin naar voren werd gebracht. Gewoon op een podium gaan zitten, een microfoon in je hand en een gitaarbuddy naast je. Even ademhalen en spelen. Looking through the glass- Stone Sour

En dan was er Michelle Russel-Capriles van het Prins Bernhard Cultuurfonds voor het Caribisch Gebied. Ik kon de presentatie in Nederland bijwonen dankzij een financiele bijdrage van het fonds. Goed dat ze er was. Goed ook dat zij aangaf dat er nog altijd en nog steeds geld is voor kunst. All we have to do is come up with a good plan and ask! Ik was heel blij met haar aanwezigheid bij deze presentatie. Vaak, te vaak is er te weinig tijd om echt even stil te staan bij elkaar en hoe we met wat we doen met elkaar verbonden zijn. Er gebeuren hele mooie dingen wanneer een ieder, op z’n afzonderlijke terrein werkzaam,  de weg naar een samenspel vinden kan. Dan wordt hetgene waar aan bijgedragen is van allemaal. En zo voelde het voor mij. In een zekere zin is Woestijnzand een middel. Om al deze mensen bij elkaar te zien en te delen in de ervaring die alleen maar tot stand kon komen dankzij al die kleine en grote bijdragen.

Zoals de brassband van Mayron Maduro, voor mij vanuit het niets, aanhaakte en ik plots de voor mij overbekende klanken van geroffel op emmers en blik hoorde. Mayron liet mijn hart springen van plezier en verbazing. De jongeman die zo hard werkt voor zijn ‘kinderen’ en die me ‘juffrouw’ noemt was erbij op Kanoa. Nam ‘zijn kinderen’ mee naar een plek die velen van hen nog nooit echt bezocht hadden. En weer was het daar: een ervaring die mooier wordt omdat er iets van de ander aan wordt toegevoegd.

Mijn lieve vriend en openhartdrager pater Toine Frehe was er ook. Bijzonder want in Nederland was hij er ook bij. Er waren drie mensen die een tweede presentatie van Woestijnzand bijwoonden. Een paar woorden wilde hij kwijt. Toine die jarenlang op Curacao woonde en werkte heeft ons land, en zijn land, diep in zich opgeslagen. Toine die vanwege het ophouden van de katholieke missie in onze regio met zijn Orde van Dominicanen terug naar Nederland ging. Na een leven op Curacao te hebben geleefd en gewerkt. Hij sprak ons toe in het Papiamentu, de taal van zijn hart. Woorden van eenheid, liefde en verbondenheid. Hij had het boek al gelezen en refereerde aan bijna alle personages in de verhalen. ,,Voorbij oordelen geschreven vanuit een liefde voor de mens. Je gaat van hen allemaal houden. Van Irina, Fredo, Janchi en Eleonora, van allemaal.’ Ik was er stil van.

Het moment van dopen was aangebroken. Aanvankelijk dacht ik ‘iets’ met de zee te doen. Een dag voor de presentatie bedacht ik me. Het voelde niet goed. Op een of andere manier niet helemaal passend. Maar wat dan? Ik reed rond in mijn pick-up, bezig met het bedenken van hoe of wat. Mijn boek naast me op de bank. Ik stond voor een stoplicht en keek, werktuigelijk, naar het boek naast  me. En toen moest ik ineens heel erg hard lachen. ‘Sabi Punda’ riep ik. ‘Het staat op de kaft. Woestijnzand, met woestijnzand moet je het dopen.’

Mijn jongste Merijn en madrina (peetmoeder) van het boek Lusette Verboom -zij bracht het creatief talent van Iren Nooren en dat van mij samen. Iren gaf me de ruimte in Cpost… en de rest in geschiedenis- volbrachten de ‘droogdoop’ van het boek. Met een stralende glimlach. Joy en love kreeg dat boek over zich uitgestort. Wat een ontvangst!

En dat playa Kanoa een vergeten toverachtige aantrekkingskracht heeft werd bewezen door de verwonderd verraste beleving van vele mensen die er in geen jaren waren geweest. Sommigen nog nooit. Schrijver Hans Vaders die net zijn boek Terug tot Tovar presenteerde omschreef het hele gebeuren alsvolgt:

‘Ik was zeer onder de indruk van je presentatie gisteren en met mij vele anderen. Ook een indrukwekkende ambiance, een culturele mix zoals die Curaçao toebehoort, bij een tersluiks ondergaande zon met een vissersbootje in de verte op een woelige zee met wat witte schuimkopjes, Dindial en woestijnzand te over, een talentvolle jonge zanger met een tekst die ik nog niet ken maar wil kennen, dreigende duistere regenwolken, zware druppels, een juiste en attente catering (Roy ging zelf met de kleine loempia’s en voortreffelijke sambal langs) en last but not least de ietwat verlate fiere flower power vrouw zelf in haar met bloemen opgepimpte pick-up. ‘Opmerkelijk’, zouden Brede Kristensen en Ramón Romero de las Rosas zeggen.
Enige tijd geleden, moet ik je bekennen, had ik nog tegenover vrienden met enig scepticisme verklaard, ‘Playa Kanoa daar komt toch niemand behalve voor wat nostalgische foto’s bij dat boze biervrouwtje?’


Echt niet.

In de krant p04

De boekenplank

In mijn boekenkast is er een plank waar ik heel erg vaak naar kijk en me in beweeg. Stiefkinderen maak ik van al die andere boeken die er staan. Zonder opzet of bedoeling. Het is gewoon dat ik een plek in die kast heb gemaakt waar ik boeken laat wonen die veel voor me betekenen en waarvan ik heb ontdekt dat ik ze in de loop der jaren steeds opnieuw weer pak. En daartussen heb ik nu ook, heel voorzichtig en met gepast respect voor wat er nog meer op die plank staat, Woestijnzand gezet.

Recensie Woestijnzand van Koos van den Kerkhof

In de amigoe van 20 oktober 2012

ELODIE HELOISE BRENGT CURACAO TOT LEVEN

“Curaçao mijn eiland! Kom even bij me zitten. Ja, ik weet het, je hebt weinig tijd. Maar blijf even. Ik moet je wat zeggen. De tijd is gekomen dat ik met je praat. Vooral nu je steeds meer op eigen benen staat. Curaçao, mijn eiland, ik heb je gekregen terwijl ik niet om jou had gevraagd. Kijk niet zo geschokt. Luister naar wat ik te zeggen heb. Dit is niet nieuw, je hebt het altijd gevoeld en geweten. Ik heb er alleen nooit woorden aan gewijd. Het is tijd om de stilte te doorbreken.”

Tekst: Koos van den Kerkhof

De ikfiguur in de Epiloog van de verhalenbundel Woestijnzand steekt een monoloog af die er niet om liegt. Curaçaoënaar of niet, het is een monoloog die je raakt omdat Curaçao niets terugzegt. Alsof ze een mokkende afgewezen geliefde is.

Met haar eerste verhalenbundel Woestijnzand heeft schrijver Elodie Heloise een nieuwe bijdrage geleverd aan de Curaçaose literatuur die er mag zijn. Ze beschikt over een natuurlijk verteltalent dat de weg vindt tussen vernieuwing en traditie en het eiland een oorspronkelijke literaire stem geeft. Haar verhalen beginnen vrijwel altijd abrupt in een situatie, maken de lezer getuige van de vertelde werkelijkheid en hebben niet altijd plot.

Heloise gaat geen enkel thema uit de weg. Of het nu discriminatie is, vergankelijkheid, overleven, slavernij, overspel of de botsing van magie en artsenij. Alles wat de geschiedenis heeft voortgebracht, opduikt in de hedendaagse realiteit maakt ze tot onderwerp van haar verhalen.
Op haar tochten in een pick-up over het eiland ontmoette ze mensen, beleefde ze momenten die ze heeft neergelegd in verhalen.

Kleur
Die verhalen bracht ze samen in de bundel Woestijnzand. Een bundel die je leest en moet lezen omdat hij je vanaf de eerste bladzijde beetpakt. Beetpakt in de Proloog, een dialoog tussen twee mensen. Een dialoog waarin de een de ander verwijt hem te discrimineren met de benaming neger terwijl de beledigde persoon de ander makamba noemt:

‘Ik noem je alleen maar “neger”.’
‘Dat is schelden.’
‘Hoezo? Jij noemt mij toch “makamba”.’
‘Dat is geen schelden. “Neger” zeggen wel.’
‘O, ja, waarom dan?’
‘Omdat je het met “neger” hebt over mijn kleur.’
“En jij met je “makamba” niet zeker?’

Niets is Heloise te moeilijk in haar tien lange en twaalf korte verhalen die samen de bundel uitmaken.In het lange titelverhaal vertelt een vrouw het verhaal van een slavin die zwanger werd van de zoon van de plantage-eigenaar Johan Andriessen. Kort na de geboorte van het kind valt hij met de bomba, de opzichter, bij haar binnen.

‘Johan liep recht op Melitza af en rukte de doek van het kind. Hij zag het lichte vel. Vol afgrijzen keek hij ernaar. Hij sloeg het doek dicht, knikte naar de bomba en verliet de hut. De bomba grijnsde en trok het kind uit Melitza’s armen.’

Naast dit verhaal dat teruggaat in de geschiedenis vindt de lezer in de bundel ook een volksverhaal als Schelpenvlees waarin twee geliefden proberen te overleven tegenover een vijandige zee die hen berooft van vrijwel alles. In beeldrijke taal creëert Heloise een wrang sprookje.

In het lange laatste verhaal wordt een vrouw van beschaafde komaf getekend als een tirannieke meesteres die haar personeel onderdrukt en de schijn van een huwelijk ophoudt. Maar ook in haar zeer korte verhalen weet ze net die emotie te raken waardoor de lezer geprikkeld wordt. Zo is er het verhaal van de vrouw die het goud in haar gebit wil laten verwijderen. En de geschiedenis van drie zoons van een moeder en verschillende vaders die waken over hun kleine zusje.
Soms blijven die verhalen wat anekdotisch zoals Papialands dat de niet-native speaker alleen met hulp van de woordenlijst kan lezen. Maar soms zijn het ook treffende observaties. Zoals die van een vrouw die vluchtend voor de regen op de overdekte markt terechtkomt waar ze blijkbaar nooit komt.

Ook bevat de bundel verhalen waaruit nostalgie en heimwee spreekt.Bijvoorbeeld de schets over een koopman die vertrekt en zijn huis overlaat aan een waker die het langzaam in verval ziet raken. Of de vertelling over een vrouw die een hoed heeft gekocht voor haar man en denkt aan hem bij een cocktail op een terras.

Heden
Tegenover de historie van de slavin en de vertrekkende koopman staat het heden. In Dutch Treat zien we hoe de hoofdpersoon vanwege de smokkelpraktijken bij haar aankomst op Schiphol scherp wordt gecontroleerd. Tot haar toenemende ergernis:

‘Bij de deur word ik aangerand door een hond. Opdringerig drukt hij zijn snuit in mijn kruis. Ik probeer achteruit te deinzen maar stuit op de rij mensen achter mij. Ik ben klemgezet, van voren en van achteren. Aan de hond zit een man vast die naar mij loert.’

Ook op Curaçao zelf worden dingen overdreven. Een dreigende orkaan, gehyped in de media, leidt tot een run op de supermarkt. Een gezin probeert zich te beveiligen tegen het stormgeweld en wacht de eerste hoosbuien af in de veilige badkamer.
Elodie Heloise maakt in het zeer korte verhaal Mysterie een toespeling op de traditie waarin ze staat. Een pompbediende, een meisje, leest gefascineerd Frank Martinus Arions Dubbelspel en de ik laat haar in het ongewisse over de afloop van het verhaal. Het is een toespeling op de traditie van de scherp observerende verhalenverteller zoals we die kennen uit het werk van Tsjechov.

Heloise vertelt verhalen als Jerkchicken waarin plots te midden van de verbale agressie die een keurige dame tentoonspreidt een soort dierlijke seks losbreekt tussen haar en de Haïtiaanse tuinman. Verhalen als Den Wowo waarin een violist een brief krijgt van zijn vriend de schilder die hij pas een week later mag openen. Een dag nadat zijn vriend een definitief besluit heeft genomen blijkt later. Verhalen als De bloedende boom waarin een arts een flamboyant wil laten omzagen die geheimzinnige krachten bezit:

‘Harold kijkt zijn tuin in en ziet de flamboyant. Hij is van zijn plek geweken en lijkt op Harold af te komen. In het maanlicht reiken zijn afgestorven takken naar hem. Harold sluit de luiken met een klap dicht. Vanachter de shutters gluurt hij nog eens en ziet dat de boom staat waar hij altijd heeft gestaan. Hij wrijft in zijn ogen, kijkt nog eens en stapt dan zijn bed weer in. Vastbesloten. Morgen gaat die boom eraan. Al moet hij hem eigenhandig uitgraven.’

Het zijn geheimzinnige krachten die hem herinneren aan zijn moeder en uiteindelijk dwingen zijn beroepscode opzij te zetten.

Elodie Heloise is er zonder meer in geslaagd haar Curaçao met zijn bewoners tot leven te brengen. Een eiland vol tegenstellingen, heftige emoties, onvervulde verlangens, afgunst, liefde, hebzucht en ook humor.
Haar verhalen ontroeren, trekken je aan je jas, stemmen tot nadenken. Maar vooral doen ze de lezer sympathie opvatten voor Curaçao. Als het waar is dat de naam van het eiland afstamt van het Portugese woord, coraçao, een eiland met een hart.

Recensie Woestijnzand van Wim Rutgers

Het verslag van een leesproces

Door Wim Rutgers

Negentien verhalen, negen korte tot heel korte en tien langere verhalen, voorafgegaan door een proloog en besloten met een epiloog in een bundel van 192 pagina’s: de eerste verhalenbundel ‘Woestijnzand’ van Elodie Heloise. Ik las eerst de korte verhalen en was daar niet bijster van onder de indruk omdat ik er eerder schrijfprobeersels dan voldragen verhalen in zag. Aardig, zeker, maar niet meer dan dat. Ook met de rest had ik aanvankelijk problemen. De proloog is volgens mij een non-onderwerp met zijn ‘discussie’ over het al-dan-niet discriminerende van de woorden ‘makamba’ en ‘neger’. Maar ik vond wel een auteur die kennelijk niet terugdeinst om hete hangijzers te durven benoemen.

Zo gaat dat met lezen, je begint aan een roman, een verhaal of een verhalenbundel en je vormt je al lezende een persoonlijke mening, die echter naarmate het leesproces vordert, steeds door jou als lezer weer bijgesteld moet worden. Zo merkte ik pas bij tweede lezing op hoe de door mij aanvankelijk negatief gewaardeerde proloog in de epiloog een tegenhanger vindt, waardoor de bundel in zijn totaliteit een ontwikkeling te zien geeft van negatieve en onoverbrugbaar lijkende tegenstellingen naar een belijden van positieve harmonie in de liefde voor het eigen eiland.

Een tweede voorbeeld waaruit blijkt dat ik mijn mening al lezend voortdurend moest bijstellen. Het eerste langere verhaal, het titelverhaal ‘Woestijnzand’ zag ik als het zoveelste voorbeeld van een slavernijverhaal waarin alle clichés die in die verhalen voortdurend voorkomen aanwezig waren. In het tweede verhaal ‘Dutch treat’ las ik een herschrijving van talrijke passantenverhalen over de aankomst op een Caribisch eiland waar de hoofdpersoon dan geconfronteerd wordt met ergerlijk en zelfs discriminerend gedrag van immigratie en douane functionarissen. In dit geval dus een herschrijving: geen Caribisch eiland maar Schiphol en de 100% controle. Waarom vroeg ik me af? Wat las ik wat ik niet al wist?

Het derde verhaal gaat over een cycloon die op het laatste moment toch uitwijkt. Ik las het vierde verhaal over choller Alfredo en het vijfde over een schilderes en haar expositie en ik herzag mijn aanvankelijke bezwaren omdat ik vond dat in de loop van de bundel steeds sterker een eigen stem van de auteur doorklonk. Dat gevoel versterkte zich in de volgende verhalen over de vrouw Irina die haar overleden man niet wil afstaan en hem angstvallig in haar huis bewaart. Het verhaal ‘Schelpenvlees’ trok me definitief over de streep, ook omdat daarin het verhaal zich ontwikkelt vanuit het perspectief van de verschillende personages, een procédé dat in het langste slotverhaal ‘Jerkchicken’ verdiept herhaald wordt, al was het slot daarvan in mijn ogen teleurstellend.

Nadat ik de verhalen ‘Mysterie’ over het al dan niet kappen van een oude boom wat ongelukkige gevolgen heeft en het verhaal ‘Den wowo’ over onder meer een musicus die een winnend loterijbriefje als legaat krijgt van een overleden schildervriend, waarbij het aan hem wordt overgelaten wat hij met het geld gaat doen, maakte mijn aanvankelijke oordeelsvorming opnieuw een stevige draai. De hoofdpersoon deelt het gewonnen geld tenslotte uit aan de nummerverkoopsters, waarna hij bedenkt: Daks, den wowo – “over de dood heen heeft zijn vriend hem nog een keer op het verkeerde been gezet.”

Zo verging het mij ook,toen ik bedacht dat eigenlijk alle verhalen in de bundel toch wel heel bekende eilandelijke thema’s tot uitgangspunt en onderwerp hebben. De auteur had mij met mijn aanvankelijke oordeel gaandeweg de bundel ook beetgenomen. Met overbekende onderwerpen zoals loten,drugs,bruha,slavernij en discriminatie komtElodie Heloisebij de argeloze lezer binnen om die overbekende gegevens op een nieuwe en originele manier te vertellen. Maar als literatuur vernieuwend kan en volgens velen in deze tijd ook moet zijn,dan zijn bekende verhalen als deze inhoudelijk toch niet erg interessant. Ik moest nogmaals bij herlezing en nadere beschouwing mijn mening herzien,toen ik op details ging letten die voornamelijk de stijl betreffen. Ik geef als voorbeeld het verhaalbegin van ‘Den wowo’: “Op het moment dat de nacht zijn optreden afsluit en de dag achter de coulissen klaarstaat om een glorieuze rentree te maken wordt Elger wakker.” Het traditionele verhaal over de Afro-Caribische slavernij begint met de knappe metafoor van het Saharazand: “Op de adem van de wind is het over zee gereisd. Om duizenden mijlen verderop de Curaçaose bodem te bedekken. De oorsprong ervan is onderweg verloren gegaan. Is vermengd met zoutkristallen,geschuurd door passaatwinden en gewassen door tropische regens. Ik weet dat ik daarom bij Shon Chia ben. Shon Chia heeft nog een stuk van de oorsprong in handen.”

Na lezen,doorlezen en herlezen heb ik met mijn leesproces een weg afgelegd waarbij ik aanvankelijke meningen en oordelen moest herzien en herformuleren. Daarom dit verslag van mijn leesproces vanuit mijn voortdurende vraag wat ik nou met de bundel aan moest vangen en hoe die te beoordelen. Mijn antwoord:Elodie Heloisemaakt in haar bundel een aantal traditionele Curaçaose thema’s opnieuw bespreekbaar. Uiteindelijk heb ik ‘Woestijnzand’ vanElodie Heloiseniet gelezen om zijn vernieuwende inhoud,maar ben ik wel geboeid geraakt door de stijl. Volgens veel critici is het nou net dat wat belangrijk is in de literatuur,al gaat mijn voorkeur uit naar de combinatie van een verrassende nieuwe inhoud die onlosmakelijk verpakt wordt in origineel en aansprekend taalgebruik. Ondanks mijn kanttekeningen, vind ik dat Elodie Heloise een verdienstelijke bundel heeft geschreven als aankondiging van een nieuw literair talent in ontwikkeling.

Zoals afgedrukt in het AD:Woestijnzand recensie 2 Woestijnzand recensie 3

 

Recensie Woestijnzand door Ezra de Haan

Woestijnzand van Elodie Heloise
door Ezra de Haan (Schrijver, dichter en journalist)

Voor mij is het verhaal niet af

Woestijnzand is de verrassende titel van het debuut van de op Curaçao woonachtige Elodie Heloise. Wie de verhalenbundel gaat lezen, komt erachter dat er inderdaad Saharazand op de Curaçaose bodem ligt. De wind neemt het fijne zand mee en transporteert het over zee, waarna het duizenden mijlen verder neerkomt. Die rondzwervende zandkorrels vormen een mooie metafoor voor al die verhalen die een schrijver tegenkomt. Elodie Heloise hoort ze aan en legt ze vast, als ze denkt dat dit nodig is. Soms zijn levert dat korte fragmenten op, schetsen zou je ze misschien het beste kunnen noemen. Vaker nog ontstaan verhalen die verder gaan dan een anekdote. Ze laten zien hoe het leven vroeger was op Curaçao, maar ook hoe het nu is en vooral hoe divers mensenlevens kunnen zijn.

Maria ‘Shon Chia’, de verteller in het titelverhaal, zie je voor je. Zittend in haar schommelstoel op de porch is ze het schoolvoorbeeld van de orale traditie. Als ze vertelt, komt het verleden tot leven. Haar verhaal over Melitza en Beta gaat terug naar de tijd toen er nog slaven en plantages op Curaçao waren. Elodie Heloise maakt listig gebruik van een raamvertelling, stort je meteen in de gruwelijke wereld van de slavernij en buigt het verhaal op het eind om tot een spookverhaal. ‘Woestijnzand’ beschrijft het barbaarse gedrag van de plantagebezitters. Het gaat over mishandeling, verkrachting en moord. We lezen over een ‘bomba’, een opzichter op de plantage. Hij is een lichtgekleurde man die ter wereld is gekomen doordat een blanke vrouw vertier zocht met een neger. Iemand die nergens bijhoorde en daardoor uiterst geschikt was zweepslagen uit te delen. Het waren vooral zijn frustraties die neerdaalden op zijn zwarte broers en zusters… De zoon van zijn meester valt op een slavin en verkracht haar tot er een kind van komt. ‘Je plant je zaad niet in een negerin. Geen zwarte bastaarden op deze plantage.’ Het is aan de ‘bomba’ om dit probleem op te lossen. Heel soepel laat Heloise het verhaal en de momenten dat het van commentaar wordt voorzien door de verteller, in elkaar overgaan. Het doet mij denken aan de oude Gothic novel, het spookverhaal van lang geleden, maar dan in een heel nieuw jasje.

Elodie Heloise vindt haar verhalen niet alleen in het verleden. Ook het heden biedt materiaal aan. In ‘Dutch Treat’ komen we drugs en corruptie tegen in de dialogen, terwijl het personage in het verhaal vooral discriminatie te verduren heeft. Toch is het een hilarisch verhaal. Heloise weet je steeds weer aan het lachen te krijgen. Neem een opmerking als: ‘Een Curaçaoënaar met een jas aan is zoiets als een Eskimo in een bikini.’In ‘De cycloop’ lezen we hoe het is om een tropische storm mee te maken. ‘Het zijn vriendelijke namen, als die van een buurmeisje of een lievelingsoom, maar wie hen ontmoet heeft, weet welk geweld er achter hen schuil kan gaan. Huizenhoge golven, schuimbekkend water en windvlagen, gek van razernij. De kust wordt opengereten, de onderwaterwereld gesloopt, alles op het land wordt met de grond gelijkgemaakt.’

‘Bitterzoet’ is ook zo’n verhaal over het alledaagse leven op Curaçao. Hoofdrolspelers in dit drama zijn Alfredo, een man die amper bij zinnen is en op straat leeft, zijn vriend El Chino en dokter Ricardo. Alfredo en El Chino waren verliefd op het buurmeisje van de dokter en dus rivalen.

‘El Chino, een diepzwarte neger met spleetogen, heeft net zoals zovelen in de penstraat een eigen verhaal. Volgens overlevering werd zijn betovergrootmoeder, een sterke negerin met smaragdgroene ogen, ervan verdacht een affaire te hebben gehad met een Chinese immigrant. Zij had dit verhaal nooit ontkend maar ook nooit bevestigd. Ze had de geruchten simpelweg genegeerd omdat zij van mening was dat mensen toch altijd denken wat ze willen denken. Maar enige generaties later kwam het bewijs van haar vermeende overspel alsnog naar boven. In de vorm van El Chino.’

Als vrienden droegen ze uiteindelijk de kist van het meisje naar de begraafplaats. Elodie Heloise laat met dit verhaal zien welk verhaal er achter een dakloze drugsverslaafde kan schuilgaan. Het rauwe realisme dat ze in dit verhaal gebruikt, staat haaks op de sprookjesachtige sfeer van het verhaal ‘Schelpenvlees’. Het thema: De zee geeft, de zee neemt, had ook een oud Nederlands schippersverhaal kunnen betreffen. Heloise geeft het echter een heel eigen toon doordat Janchi, de visser in het verhaal, een relatie aangaat met de ‘Blauwe dame’. Wanneer Janchi’s vrouw Eleonora zwanger wordt, breekt de zee uit jaloezie zijn benen. Het is het begin van het einde van de liefde tussen Janchi en Eleonora. ‘Schelpenvlees’ heeft de potentie met de jaren een van de legenden van Curaçao te kunnen worden.

‘De bloedende boom’ laat, net als het verhaal ‘Woestijnzand’, zien hoe sterk de kracht van voodoo kan zijn. Ook als de blanke er niets van gelooft en het als idioterie afdoet, ontkomt hij niet aan de gevolgen ervan. Mai Fiti is de enige die het probleem kan oplossen.

‘Een kordaat klein vrouwtje stapt naar voren. Ze draagt een feest aan kleuren. Twee gouden creolen bungelen aan haar oren, en het haar heeft ze weggestopt onder een bonte hoofddoek. Het gezicht van de vrouw is verrassend fijn gesneden maar oud. Ze heeft meer rimpels dan het Spaanse Water dat bespeeld wordt door een windvlaag, en er staat geen fatsoenlijke tand meer in haar mond.’

Bovenstaande passage is typerend voor het proza dat Elodie Heloise schrijft. Het leest vlot, de taal staat in dienst van het verhaal en af en toe verschijnen er pareltjes. De korte en lange verhalen in Woestijnzand geven het leven op Curaçao perfect weer. Door steeds weer nieuwe invalshoeken te kiezen, schetst Elodie Heloise hoe de bewoners van dit Caribische eiland leven en leefden. Vooral in de langere verhalen van de auteur zie je het verteltalent naar voren komen. Het zou mij dan ook niet verbazen als haar volgende boek een roman zal zijn. Als die met net zoveel plezier en compassie geschreven wordt, heeft Curaçao er weer een belangrijke schrijver bij. Woestijnzand is een verrassend hors d’ oeuvre en hopelijk de opmaat naar een groots literair diner.

http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=303